Wederkerigheid van het woord?

‘The Art of Meeting’

Een kleine terreinverkenning in aanloop naar de vriendendag 27 november in Den Haag

Lieve vrienden,

Als tijdgenoten bewegen we ons  in zones van het bestaan  waar gekwetter en getwitter niet meer uit de lucht zijn. Niet de technologie die dit  mogelijk maakt is hier de oorzaak! Veeleer de  wereldwijd nog steeds toenemende mondigheid brengt met zich mee dat er een groeiende behoefte is om mee te spreken, om aan het debat deel te kunnen nemen, om zich te mengen in het web van communicatie, met alle dissonanten van dien. Een behoefte die niet anders dan legitiem moet worden genoemd. Wie mondig wordt wil zich blijkbaar ook kunnen uiten. Dit maakt nu ten enenmale deel uit van mondigheid.

Maar waar blijft de wederkerigheid? Juister gezegd: de ruimte voor wederkerigheid?

En heeft deze stortvloed aan uitingen, aan informatie, aan mededelingen nog wel enig verband me wat onder een gesprek kan worden verstaan?

Met Plato doet de dialoog zijn intrede in de Europese cultuur. Het is Plato er niet om te doen een model te scheppen voor de kunst van het voeren van een goed gesprek. Al evenmin is de dialoog een stijlmiddel, een soort luchtig-aangename verpakking voor moeilijke thema’s. Op de eerste plaats gaat het om wat er van logos tot logos beweegt, van denkvermogen tot denkvermogen. Dialogeren is denken-in-beweging. Elke uitspraak in de dialoog staat voor een stap in een denkproces, dat zich ‘dialogisch’ voort beweegt en op die manier zich aan het bewustzijn manifesteert. Niet de uitspraak op zich is het belangrijkste, wel de dynamiek die van uitspraak tot uitspraak loopt en bij iedere wending nieuwe vergezichten opent. Waarbij het gaat om wederkerigheid. Niet enkel de geest werd daarbij in beweging gezet, ook de ziel werd door het voertuig van het woord boven zichzelf uit getild en in vervoering gebracht. De rol van Socrates als vroedvrouw, maar ook als horzel (hij praatte niemand naar de mond!) staat daarbij centraal. Zonder Socrates zou er van een dialogeren geen sprake zijn geweest, hoogstens van een discussie of van een  strijdgesprek. Bijzonder is ook dat het zogeheten ‘socratische gesprek’ waarbij iets kan ontstaan, wat nog niet vooraf in het gesprek was ingevoerd en dus nieuw is, heden ten dage opnieuw in de  belangstelling staat.

Ongetwijfeld werd de dialoog als methode, als weg verder gezet in het filosofische gesprek, zoals het in de hele  antieke wereld  werd beoefend in centra van wetenschap en geleerdheid: Alexandrië, Caesarea, Antiochië, Edessa en vele andere.

In Europa duurt het tot de vroege Middeleeuwen voor er een vorm van gesprekscultuur in de openbaarheid treedt. In de regel gaat het dan om ‘tornooien’ met het woord, waar twee tegenstanders in het strijdperk treden, met de uitdrukkelijke bedoeling dat één van hen als overwinnaar tevoorschijn treedt. Het strijdgesprek tussen Pierre Abélard en Bernardus van Clairvaux is een beroemd, zoniet berucht voorbeeld hier van.

Het tastend-zoekend socratische gesprek daarentegen moet men zoeken in de Hoofse Cultuur, in de “Cour d’Amour”, waar de rol van Eros en Liefde vaak op poëtische wijze, werd onderzocht, geproefd en beproefd, als een rechtstreekse voortzetting van het sublieme Symposium van Plato.  Ook in de academies in de begintijd van de  italiaanse Renaissance werd dit poëtisch dialogeren met grote voorliefde beoefend. Bekend is hoe Lorenzo il Magnifico in  eigen persoon deze dialogen voerde in de kring van zijn genoten, Marsilio Ficino, Pico della Mirandola, Angelo Poliziano, als een celebratie voor ziel en geest.

Wat in de 17e-18e eeuw terug opduikt als ‘the Art of Conversation’, zoals in de literaire en andere salons in Europa werd beoefend staat ver af van de platonische dialoog. Het gesprek is er niet langer meer middel, maar doel op zich. Het geeft uitdrukking aan verfijning, subtiliteit, spitsvondigheid en zoekt eerder naar bijval dan naar wederkerigheid. Niet zelden wil het ‘behagen’, een motief dat aan de  dialoog, van Plato die naar het ware zoekt,  geheel vreemd is. Maar er is  in diezelfde periode ook een Montaigne, die een pleidooi houdt voor een oprecht gesprek en dat hij omschrijft als  een gebeuren waarin je je bewust kan worden van de beperktheid van je blik en de eindigheid van je ervaring. Ook de grote gestalten uit het midden-europese geestesleven stelden tot doel aan het gesprek als ‘onderhoud’, en ‘oponthoud’ , als caesuur in de verstromende tijd van het bestaan,  zijn waardigheid terug te geven.

In de 20e-21e eeuw is de dialoog opnieuw een ‘weg’ geworden. Een weg tot de ander, tot het andere.  Niet langer doel, maar middel. Middel tot het verkennen van dit anders-zijn. Middel ook tot het voeren van overleg en onderhandelingen, van vredesgesprekken. Een weg die nog maar pas begankelijk is geworden.

Over het hoe en waarheen van deze weg, gaat het verder op de vriendendag.

Tot dan!

Christine