Dialoog als kunst : een verkenning

Dezer dagen gonst het in de wereld van commentaren en analyses allerhande. Niemand zal ontkennen dat dit fenomeen te maken heeft met de huidige turbulente tijden, waarin de nieuwsfeiten elkaar in duizelingwekkende vaart opvolgen met in hun kielzog een stroom aan niet zelden tegenstrijdige uitspraken en verklaringen. Communicatie heeft dan veel weg van een stortvloed aan informatie, waaraan je je nauwelijks aan het debiet kan onttrekken. En waarbij het steeds moeilijker wordt om datgene wat er zich in werkelijkheid voordoet nog te kunnen onderscheiden en als dusdanig gewaar te worden. Steeds vaker blijkt dat informatie in dienst staat van welbepaalde belangen en niet op de eerste plaats van een objectieve weergave van de werkelijkheid. De vraag of het nog mogelijk is de ware toedracht van een gebeurtenis te leren kennen, ligt voor de hand. De roep naar ‘werkelijkheid’ neemt toe, maar tezelfdertijd groeit ook de angst, ja de weerzin ervoor en de behoefte om zich ertegen te beschermen.

Hoe de toegang tot de werkelijkheid te vrijwaren?

De werkelijkheid, als een verschijningsvorm van de waarheid, kan enkel dan tot verschijning komen, als communicatie ook de mogelijkheid inhoudt tot een dialoog. Overdracht van informatie, het loutere meedelen van feiten biedt deze mogelijkheid duidelijk niet. Het volstaat niet te spreken opdat er van een dialoog sprake is. Maar ook is niet ieder gesprek vanzelfsprekend een dialoog.

Het uit het Grieks stammende woord ‘dialoog is alleen al daarom interessant dat het niet zonder meer kan vertaald worden’. Zoveel is duidelijk dat het om een samengesteld woord gaat: dia en logos. Dia kan betekenen ‘door, door heen’ en ook ‘tussen’. Het ‘door heen’ geeft aan op welke manier iets gebeurt. Vergelijkbaar is het woord dia-pason, dat letterlijk betekent: ‘door alle (tonen) heen’ en bijvoorbeeld op het octaaf slaat, als het interval dat zich door alle tonen heen uitstrekt.

Het is echter het woord logos dat de grote uitdaging vormt. Er is nauwelijks een term te vinden die in de geschiedenis van het denken tot zoveel uiteenlopende verklaringen aanleiding heeft gegeven als uitgerekend deze. Naar de vorm is het een substantief en betekent ‘woord’, ‘spraak’, maar ook verhouding. Het element van verhouding wordt door het voorzetsel ‘dia’ versterkt. Logos heet dan ook de verhouding tussen taal en werkelijkheid. ‘Een verhouding die zich in het spreken kan uitdrukken, maar niet samenvalt met de inhoud van de woorden. Het waarheidsgehalte van een betoog kan niet getoetst worden naar de letterlijke zin van het verwoorde, maar komt tot uiting in de verhouding tussen spreker, de spraak als actief bewegen en datgene waarop het spreken betrekking heeft. Het spreken, diegene die spreekt en het gesprokene in hun onderlinge verhouding, in dat wat tussen deze drie weeft, dit alles valt binnen de betekenishorizon van logos. Logos is onder meer ook dit (waarmee lang niet alles over logos is gezegd!): die verhouding waarin de werkelijkheid, als een verschijningsvorm van de waarheid, zichtbaar wordt.

Een dialoog zou dan deze vorm van gesprek kunnen zijn, waarin iets van deze verhouding zich kan manifesteren. Het luisteren speelt daarbij een cruciale rol, die qua tijd en ingesteldheid aan het spreken voorafgaat. Een dialoog begint bij de alerte bereidheid van alle betrokkenen tot luisteren. Dat het luisteren op de eerste plaats komt heeft niets te maken met een soort omkering van de gebruikelijke beurtrol tussen spreker en luisteraar, en waar dan in de regel een ‘gespreksleider’ gaat bemiddelen en het woord geeft aan de nu aan de beurt zijnde spreker. De voorrang van het luisteren op het spreken heeft er alles mee te maken dat luisteren de tussenruimte van het ‘dia’ het doorheen’ openmaakt en in stand houdt. Het is het ‘dia-pason’ waarin de klank zich kan openbaren. Dialoog, op dezelfde wijze als klank ontstaat uit de stilte. Een stilte die zindert van het verlangen te kunnen luisteren, opdat de ander moge spreken. Niet: Ik luister naar wat je te zeggen hebt’ maar: Ik luister, opdat je moge spreken.

Terwijl het spreken dat niet op een aanvankelijke luisterruimte kan aanspraak maken, in vele gevallen tot niets anders in staat is dan de ruimte te bezetten, houdt juist de tussenruimte een uitnodiging in om ‘nieuw’ te spreken. Dit betekent niet: nieuwe dingen zeggen, maar spreken vanuit de verhouding die geen andere is dan de logos zelf. Zo te kunnen spreken dat de werkelijkheid zich in een nieuwe gestalte kan openbaren. De dialogen van Plato zijn in dit opzicht de prototypes bij uitstek voor de dialoog als gebeuren, waarin de werkelijkheid in een scheppend proces nieuw ontstaat en waaraan eenieder die dit verlangt, deze ‘Eros’ draagt, kan participeren.

 

Christine Gruwez