Portret van een schilder. Mauritshuis

Lezing Mauritshuis Den Haag januari 2011

(samenvatting)

Rembrandt : de onkwetsbaarheid voorbij

Kan het kijken naar een portret ons iets leren over de manier waarop we het aangezicht van een persoon waarnemen? In casu, kan  het kijken naar een zelfportret ons in dit verband iets verhelderen? Bijvoorbeeld hoe de visuele perceptie van het aangezicht zich volgens andere modaliteiten voltrekt, dan de waarneming van de totale lichaamsgestalte?

[1]Niet voor niets wordt in de traditie van het icoon schilderen het menselijk aangezicht geduid als de plaats van openbaring waar de epifanie zich voltrekt.

Van zodra een aangezicht verschijnt in een waarnemingsveld werkt het als een brandpunt. Al het overige wordt perifeer ten opzichte van dit éne,  dat onze blik onweerstaanbaar  naar zich toetrekt. Het is een punt van aanwezigheid, waarbij alle andere waarnemingsobjecten verdoffen.  ‘Het aangezicht van een ander kan nooit worden gereduceerd tot een object’.

Uiteraard is het niet hetzelfde : kijken naar het aangezicht bij een geschilderd portret en iemand in ‘real life’ in het aangezicht te kijken. Maar het zou wel eens kunnen dat  een schilderij ons iets bijbrengt, wat in de onmiddellijkheid van het leven, waar we van aangezicht tot aangezicht staan, aan onze aandacht ontsnapt .

Rembrandt schilderde een veertigtal portretten van zichzelf, de etsen niet meegeteld. Op Rembrandt rust het fatum bekend, ja overbekend te zijn. Zijn werken, inclusief de zelfportretten zijn de weg van de verveelvuldiging gegaan, op de manier zoals dat ook voor Van Gogh het geval is.

Hoe toch  daarnaar te kijken?

Sinds de uitvinding van het moderne,  romantische zelfbeeld  lijkt het haast onvermijdelijk om een zelfportret  te gaan interpreteren als een uiting van een doorgaand onderzoek van de schilder naar zijn innerlijke gesteldheid.  Ieder zelfportret markeert dan een bepaalde fase in zijn biografie.

Het kan uiteraard  niet worden uitgesloten dat  bij Rembrandt ook niet een element van introspectie  met de daarbij horende enscenering meespeelde. Er is echter meer aan de hand.

Dit méér kan bij wijze van oefening toegankelijk worden.

Zou het mogelijk zijn zo naar een zelfportret van Rembrandt te kijken en daarbij het weten dat hij het is die  zichzelf zo heeft uitgebeeld ‘op te schorten’? Anders gezegd, ‘zuiver’ naar het zelfportret te kijken, zonder alle projecties die alleen al door  dit feit van zelfrepresentatie worden opgeroepen, een kans te geven?

En welke is vervolgens de relatie tot het kijken in het werkelijke leven?

Iedere mens die in mijn blikveld verschijnt, verschijnt op de eerste plaats als een ‘portret’ van zichzelf. Hij valt niet samen met zijn uiterlijke verschijningswijze.

Wat ik waarneem is noch min noch meer  zijn zelfrepresentatie. Dit hoeft nog niet het ensceneren van deze zelf representatie te zijn.  Zelfrepresentatie is nog geen zelfvertoning. Ook al is in het publieke forum (daar waar we elkaar kunnen ontmoeten)  het  showelement  duidelijk in opmars.

Ik weet van de afstand tussen de wijze waarop iemand verschijnt en wie hij zelf is. En ik weet ook van de spanning die het met zich  meebrengt om in mijn blik deze afstand open te houden.

Er zijn echter ook momenten waar alles in mij samenspant om de afstand tussen het ‘portret ‘dat iemand tot verschijning brengt en de werkelijkheid van wie hij is, te kunnen overbruggen. Ik neem geen vrede meer met een portret. Ik wil de drager van dit portret een ogenblik lang kunnen aankijken.

De toegang is het aangezicht. Maar dit vraagt om een omstelling van mijn blik. Het bepalende cartesiaanse kijken, waarbij ik als toeschouwer buiten schot blijf en de coördinaten van mijn blik aan het geziene opleg, moet  ik kunnen loslaten. Dit houdt in : zelf zichtbaar en dus kwetsbaar te worden. Want ook ik word nu gezien. Het kijken wordt tot een tasten. Wederzijds.

Christine Gruwez


[1] Renée van de Vall, ‘On the Edges of Vision’,2008, 55.