Het eigene en het andere

Het andere kan slechts het andere zijn, doordat er ook het eigene is. Ieder anders-zijn wordt op de eerste plaats getoetst aan en door de eigenheid van diegene die de toetsing doorvoert. Niet zelden blijven ze een leven lang in het geheugen gegrift: die ogenblikken waarop voor het eerst het anders zijn van de andere met alle kracht in het bewustzijn binnendringt en daardoor het eigene ontwaakt.

Illustratie bij Het eigene en het andere

Op de keper beschouwd ontstaat het andere in deze toetsing. De toetsing is terzelfderijd het ontstaansmoment én van het eigene én van het andere. Tot zolang kan de naïeve vooropstelling van kracht blijven dat al het overige identitiek is aan wat je zelf bent. Of in ieder geval identiek hoort te zijn.

Eenmaal de toetsing doorgevoerd, kunnen er zich verschillende mogelijkheden voordoen. Een ervan is een groeiende openheid en interesse voor dit anders-zijn. Dit gaat niet zonder slag of stoot! De natuurlijke neiging is er een van een uitgesproken interesse voor het eigene en van een afweren van al wat niet met deze eigenheid strookt. Verschillende strategieën zijn hier mogelijk. Tal van vormen van interesse voor het andere zijn slechts vermommingen van de interesse voor het eigene. De interesse bijvoorbeeld van een deel van de westerse wereld voor al wat oosters is, door Edward Saîd als ‘orientalism’ geduid, is uiteindelijk het najagen van voorstellingen die helemaal in dienst van de eigenheid staan. Het andere wordt instrument voor de vervulling van eigen noden en behoeftes.

Meer subtiele vormen van vermomde belangstelling voor het eigene zijn deze waarbij men het andere waardeert in de mate dat het overeneenkomsten vertoont met het eigene. Zo worden bijvoorbeeld denkers uit andere culturen binnengehaald in de westerse cultuur wanneer ze thema’s als emancipatie, secularisatie, vrije meningsuiting behandelen op de manier zoals dit vanuit de westerse cultuur als correct wordt beschouwd en wordt verwacht. ‘Ze horen bij ons!’  Een dergelijk binnenhalen kan als een vorm van toeëigening worden beschouwd. Het andere wordt tot eigenheid verklaard.

In het wereldomspannende debat dat tussen de westers-christelijke wereld en de wereld van de islam wordt gevoerd, is waakzaamheid geboden voor alle vormen van –vaak onbewuste– toeëigening. Om te beginnen met de visie dat alle religies uitmonden in één enkele grote, universele religie, waar de verschillen en contradicties ophouden te bestaan. Het is een hoopvol beeld: alle religies onderweg naar een zelfde punt waar ze zullen convergeren. Alleen, religies kunnen niet onderweg zijn. Enkel mensen kunnen dit. Daarbij, er kan geen sprake zijn van een samen onderweg-zijn naar dit punt van convergentie, hoogstens van een op weg zijn van ieder op zich. Ieder spreken over een punt waar alles samenkomt in een hogere eenheid, gebeurt noodzakelijkerwijze vanuit de hoogst persoonlijke weg die naar dit punt toe wordt gegaan. Geen mens kan alle wegen tegelijk naar dit punt toe bewandelen. En precies in de mate dat iemand onderweg is, kan hij geen aanspraak maken op een vogelperspectief waar hij boven en buiten het particuliere uitstijgt. Wijzen naar een punt van convergentie, –gesteld dat dit er zou zijn– terwijl ieder nog onderweg is, is voorbarig en een inbreuk op het recht tot anders-zijn. Dit is geen ontkenning van de mogelijkheid van een punt van convergentie. Hoe zouden we anders op weg kunnen gaan als er niet aan de einder iets zichtbaar wordt dat ons roept? Echter, hoezeer een dergelijke oproep ook een wekkend toekomstideaal lijkt te herbergen, valkuilen als reductionisme, gelijkschakeling en toeëigening zijn er onvermijdelijk onderdeel van.

Op die manier hebben enthousiaste en goedbedoelende moslims Goethe –en dit aan de hand van welgekozen citaten– tot zelfverklaarde moslim uitgeroepen. Hiermee zij niet gezegd dat Goethe onder geen voorwaarde moslim kon zijn geweest. De vraag die zich hier stelt is: wie komt het toe om een dergelijke uitspraak te doen?

Wat ons voor dergelijke valkuilen kan behoeden is het uithouden in de spanning tussen het verlangen dat ‘allen mogen samenkomen in één groot vaderhuis’ en de dagelijkse praktijk van het eenzaam een weg banen door ‘het kreupelhout van het bestaan’ waar al wat me omgeeft in het teken van het andere staat.

Moeilijker, want gevoeliger, wordt het wanneer bijvoorbeeld aan de hand van korancitaten wordt aangetoond dat ook een moslim een verhouding tot Jezus kan ontwikkelen, een verhouding die tenslotte niet zo ver hoeft af te staan van de ‘onze’. ‘Ook zij kennen Jezus!’ Onbewust kan dan iets meeklinken in de trant van: ze zijn niet zo verschillend, niet zo anders, niet zo vreemd!

Maar opnieuw de vraag: wie komt het toe om een dergelijke uitspraak te doen? De stap naar een uitspraak als ‘ook de Islam kan je als een vorm van Christendom begrijpen’ is dan niet zo veraf meer. Het beslist anders-zijn, ‘het vreemde’ van de Islam moet dan gemilderd worden doordat er toch ook elementen zijn die als ‘christelijk’ kunnen worden geduid. En dit is naar mijn oordeel beslist een stap te ver. De Islam als religie en cultuur, net als dit het geval is voor andere religies en culturen, heeft recht op zijn onvervreemdbaar anders-zijn.

Het misleidende aan toeëigeningen is dat ze ook steeds een kern van waarheid bevatten. Já, inderdaad, Goethe had een diepe verbondenheid én met de wereld van de Islam en met de Perzische cultuur, zowel voor als ná de komst van de Islam. Já, moslims vereren Isa, Jezus, zoon van Maryam en woord van God en kennen hem als profeet een plaats toe die onmiddellijk na deze van Mohammed komt!

Niet zelden ook staan toeëigeningen in het teken van een authentieke zoektocht naar het aangezicht van de ander. Wanneer aanvankelijke weerstand en afwijzing ten overstaan van het andere kan omgezet worden in interesse, dan kan het risico van de toeëigening verminderd worden, indien na de fase van verwondering en aantrekking, waar nog een flinke portie eigenbelang kan spelen, ook de stap kan gezet worden naar het werkelijk anders-zijn van het andere. Met alle machteloosheid en verbijstering vandien. Gepaard aan de intentie het in dit spanningsveld te willen uithouden. Met andere woorden, dit kan niet zonder dat er een spanningsveld zal optreden. Zolang ik het andere als ‘hoe interessant!’ beleef, heb ik het werkelijk andere nog niet waargenomen. Want dit laatste is steeds schrikwekkend.‘Ein jeder Engel ist schrecklich’ dichtte Rilke.

Het andere is alleen maar het andere wanneer het dit op absolute en radicale wijze kan zijn. Er is geen ‘gemitigeerd’ anders-zijn, er is niet ‘een beetje anders’. Daarom ook vraagt het andere om een even radicaal engagement. Zoniet is het gevaar groot dat in tal van oprecht bedoelde openingen tot dialoog het werkelijke, dit wil zeggen het radicaal andere verloren gaat. En aangezien het andere en het eigene elkaar tot voorwaarde hebben, dus ook het eigene.

Uit Vriendenbrief 1, oktober 2008