De omkering van de blik. Paul Klee en de Angelus Novus

Omkering van de blik?

Paul Klee, Walter Benjamin en de Angelus Novus

 Over het mondig worden van de kunst (3)


Tussen 1913 en 1940, het jaar van zijn dood, schilderde of tekende Paul Klee  een vijftigtal engelenfiguren, waaronder de Angelus Novus (1920) de meest bekende werd. Zijn bekendheid heeft deze Nieuwe Engel evenwel op de eerste plaats te danken aan Walter Benjamin, die  in 1921 de aquarel kon aanschaffen, wat het begin werd van zijn ononderbroken meditatieve verhouding met dit ‘beeld’. De Angelus Novus kwam in het centrum te staan van Benjamin’s  filosofische beschouwingen over geschiedenis en kunst. De duiding die hij aan dit werk van Paul Klee gaf, bereikte, net zoals de aquarel zelf, de  status van icoon en blijft tot op heden kunstenaars op velerlei gebied inspireren. Het is bekend dat Benjamin, voor wie de Angelus Novus zijn persoonlijke ‘bewaar’engel werd, de aquarel met zich meenam toen hij in de late jaren dertig Duitsland voor goed moest verlaten. Na zijn dood in september 1940, slechts enkele weken na deze van Klee, kwam het werk in het bezit van Gershom Scholem, die het op zijn beurt schonk aan het Israël Museum te Jeruzalem.

Is dit wel een engel? Niets van het verhevene, het hiëratische van de engelen uit de vroegchristelijke kunst, geen spoor van het machtig-bovenaardse van de engelen-gestalten op een icoon, terwijl ook in ieder opzicht de stralende schoonheid, de ideali-serende lieftalligheid van een Renaissance engel ontbreekt.

Het hoofd is veel te groot voor het tengere, lijf. De vleugels – of zijn het toch armen? – onvolgroeid,  de voeten die aan een vogel doen denken, onbestaande haast.  Het gelaat is verwrongen, alsof er twee gezichten in elkaar geschoven zijn: dit van een nog onbewust kind en dit van iemand die levensmoe is. De mond is geopend. Is dit een kreet?

Maar bovenal is er de blik. Waarheen gaat deze blik? Wat houdt hem gevangen? Waarvoor deinst de engel terug? Want dit is het: een terugdeinzen! Alsof een kracht,  voor ons onzichtbaar, de engel tegen iets aan drukt en er geen ontwijken meer mogelijk  is.

De gestalte die Klee ontworpen heeft voor de Angelus Novus is precies dit: een ontwerp … In dat opzicht verschilt deze engel niet van de overige engelen doorheen zijn oeuvre. Ontwerp betekent op de eerste plaats: een aanzet vrij van de bedoeling om vast te leggen. Hoogstens een spoor van de gestiek van de engel kan een ogenblik lang worden weerhouden. Omdat het wezen van een engel ‘wording’ is,  wordend in een voortdurende wisselende verhouding tussen twee werelden … De engel is een ‘tussen’, een interval tussen de klank van het goddelijke en van het menselijke, een uiterst fragiele brug tussen zijn en niet-zijn.

Het blijft een open vraag waarom Klee deze engelgestalte de naam Angelus Novus heeft gegeven. Is hij ‘nieuw’ omdat hij op de wijze van een kind nog aan het begin staat van wat in hem wil worden?  En wat kan het zijn, dat hem gevangen houdt in een ogen-blik van absolute onmacht?

Walter Benjamin was in de unieke gelegenheid om gedurende bijna twintig jaar deze vragen aan de engel zelf te stellen.  Wat hij als antwoorden kreeg in de loop der jaren bracht hem er toe de Angelus Novus een nieuwe naam te geven: De Engel van de Geschiedenis. De engel die kijkt in de richting van waar de geschiedenis reeds is voorbij gerold!

Maar kan het ook worden omgekeerd?  De geschiedenis kijkt de engel aan! En in die omkering van de blik ligt het nieuwe, waarvoor de engel, meer nog dan voor dat wat is geschied, terugdeinst?

Christine Gruwez

Thema voor de lezing op de Vriendendag 18 april 2010 te Antwerpen

‘Er is een schilderij van Klee, ‘Angelus Novus’ genaamd. Het toont een engel die op het punt staat terug te wijken voor iets waarnaar hij staart. Zijn ogen zijn wijd opengesperd, zijn mond is geopend, zijn vleugels gespreid. Dit is hoe de ‘engel van de geschiedenis’ er moet uit zien. Zijn gezicht is naar het verleden gekeerd. Waar wij een opeenvolging van gebeurtenissen zien, ziet hij één enkele catastrofe, die vernieling op vernieling stapelt en hem dit voor de voeten gooit. De engel zou willen blijven, om de doden te doen ontwaken en om datgene wat is vernield, weer heel te maken. Maar er blaast een stormwind vanuit het Paradijs die zijn vleugels in de greep houdt, een storm zo sterk dat hij ze niet langer sluiten kan. De storm drijft hem onweerstaanbaar de toekomst in, waarnaar  hij met de rug gekeerd staat., terwijl de brokstukken van de vernieling zich opstapelen  tot in de hemel. Wat we vooruitgang noemen is deze storm.’

Walter Benjamin, Gesammelte Schriften I,  Suhrkamp Verlag , 691-704.