Zijn er nog manicheërs onder ons?

Historisch gezien is het manicheïsme een boodschap die door haar stichter, de Perziër Mani (216-276 n.C.) werd verkondigd en zowel ‘in beelden is neergelegd als  in geschriften is opgetekend’. Sinds het begin van de twintigste eeuw zijn fragmenten van deze geschriften opnieuw aan het licht gekomen. Archeologisch onderzoek geeft duidelijke bewijzen van de aanwezigheid van manichese gemeenschappen in Zuid-oost China vanaf de zeventiende eeuw. En in de buurt van Quanzhou werd een beeld van Mani als  ‘Lichtgod’ ontdekt, dat uit het midden van de vijftiende eeuw afkomstig is.[1]

Op een bepaald moment houden deze sporen op. Dan komt de vraag op: zijn er nog manicheërs onder ons? En waaraan kun je ze herkennen?

Kenmerkend voor het manicheïsme is een visie op de zin en betekenis van goed en kwaad en de weerspiegeling hiervan in het mensbeeld van de manicheërs. Kosmogonie en antropologie gaan bij hen hand in hand. Het kwaad is niet enkel iets wat de mens overkomt. Integendeel! Licht en duister zijn scheppende principes. Beide zijn nodig opdat er een schepping kan ontstaan  Goed en kwaad worden zij pas in de mens.

Het scheppingsverhaal vindt zijn eindbestemming in de mens. Maar deze is tegelijkertijd het vertrekpunt van een nieuwe schepping. Iedere mens heeft namelijk, tenminste in aanleg, de mogelijkheid om zelf scheppend te worden. Dit scheppend worden krijgt binnen de context van het manicheïsme een heel specifieke invulling: de mens kan het kwaad dat in de schepping ingebed ligt, gaandeweg verlossen door middel van de inwerking van het goede. Dit is minder een uiterlijke strijd dan een innerlijk proces. Iedere mens is uit licht en duisternis ontstaan en heeft hierdoor de mogelijkheid tot een wisselwerking tussen de twee.

Het historische manicheïsme is niet meer werkzaam in de wereld.

Maar er is zo iets als een wedergeboorte van een manicheische grondhouding.

Deze beroept zich niet zo zeer op de boodschap die terug te vinden is in de manichese geschriften. Veel meer kenmerkt ze zich door het zoeken naar een verhouding tot de werking van goed en kwaad. Het kwaad dat mij treft, brengt me naar de vraag: waarom? En het kwaad dat anderen wordt aangedaan, gaat mij evenzeer aan. De werkingen van goed en kwaad in de wereld, zijn geen verschijnselen waaraan ik voorbij kan gaan. Ik heb er mee te maken. En ik heb er mee te maken omdat ik in manichese zin, in mezelf de mogelijkheid draag, het kwaad niet uit te sluiten, maar het te integreren in een groter geheel Hierdoor kan het worden verlost. Ik word dan deelgenoot van de tijd waarin ik leef. Hedendaagse manicheeërs zijn ook in die zin ‘tijdgenoten’.

Actueel?
De groeiende actualiteit van Mani’s boodschap is af te lezen aan de plaats die het kwaad toebedeeld krijgt in bijvoorbeeld  het wereldwijde debat  over terrorisme. Zoals de  filosofe Susan Neiman in een interview schrijft:

‘Iedereen die het probleem van de wereld wil doorgronden stuit op het probleem van het kwaad’.  (NRC 27/11/2004)

In het artikel geeft zij haar kritiek op de Verlichting en zegt zij onder meer dat de denkers toentertijd nauwelijks verder kwamen dan een besef van het bestaan van het kwaad. Maar een intellectueel besef van het kwaad is niet genoeg:

‘Het kwaad intellectueel willen oplossen, zou een soort verraad zijn, dan zou je daarna je schouders over de wereld kunnen ophalen. Het besef dat er iets mis is met de wereld, dwingt tot praktische oplossingen.’

Een besef van de werkelijkheid van het kwaad is uiteraard niet voldoende. Maar het is wel een noodzakelijk begin. Op dit besef kunnen vragen volgen, zoals de vraag of het om een oplossing, dan wel om verlossing gaat. Dient het kwaad voorkomen of uitgeroeid worden of gaat het om verlossing van het kwaad? In het laatste geval begint een zoektocht naar wat je je daarbij moet voorstellen. Hoe pakken we dit aan, gesteld dat het inderdaad mogelijk zou zijn?

Het kwaad aankijken
Uiteindelijk draait alles om de vraag naar de wezensnatuur van het kwaad. Wanneer ik daar inzicht in kan verkrijgen, kan ik leren wat het kwaad is, zoals je ook iemand pas leert begrijpen, wanneer je hem of haar langere tijd kent.

Het kwaad leren kennen is niet hetzelfde als vragen wat het kwaad veroorzaakt en wat door het kwaad veroorzaakt wordt. In de regel wordt met ‘kwaad’ datgene aangeduid wat door het kwaad veroorzaakt wordt.  De blik richt zich op de uitwerking van het kwaad, op wat het kwaad aan mijzelf en aan anderen aanricht.

Op dit punt brengt Susan Neiham het onderscheid aan tussen het kwaad dat veroorzaakt wordt door natuurrampen en catastrofes en het kwaad dat door mensen wordt veroorzaakt. Maar het blijft een kijken naar wat het kwaad bewerkstelligt.

Verstrekkender nog dan het onderscheid tussen het natuurlijke en het morele kwaad, is het onderscheid tussen de uitwerking van het kwaad en het wezen van het kwaad. Wanneer je dit serieus neemt, betekent het dat het kwaad niet een anoniem werkend principe is, maar dat het een wezensgestalte heeft. Ook het vragen naar de oorsprong van het kwaad, betreffen nog altijd niet het kwaad zelf.

Het mysterie van het kwaad
Wanneer hier sprake is van kwaad, wordt niet bedoeld: het kwaad als uitwerking, het kwaad zoals het wordt aangedaan. Het gaat uitsluitend  om de wezensgestalte zelf van het kwaad. En deze laat zich in eerste instantie kennen door één van haar meest wezenlijke houdingen: die van de afzondering. Ingewijd zijn in het mysterie van het kwaad betekent dat de mogelijkheid om zich te kunnen afzonderen, intrinsiek deel is gaan uitmaken van de intieme natuur van de mens.

Afzonderen is niet de rust en  eenzaamheid van de natuur opzoeken of je in je kamer terugtrekken. Afzonderen is de mogelijkheid je af te sluiten voor je omgeving, je terug te trekken uit een samenhang.

Het kwaad wordt hier aangezien voor vrijheid. Dat is een misvatting. De vrijheid die het ‘ik’ zich wenst en toeëigent, kan hetzelfde worden als het koesteren van het eigenbelang door het ego .Beide zijn mogelijk doordat afzondering mogelijk is. En het ene kan niet zonder het ander. Het soevereine ‘ja’ kan niet zonder het  egoïstische ‘neen’, en omgekeerd. Een ‘ja’ is pas echt een ‘ja’, omdat ook in dezelfde graad een ‘neen’ mogelijk is.

Onderweg tot tijdgenoot
Wat veroorzaakt het kwaad? Wat wordt door het kwaad veroorzaakt? Twee te verschillende vragen. Wat ze onderling verbindt is er een derde: Wat, wie is het kwaad

Slechts door op deze derde vraag in te gaan, worden de twee andere verhelderd. De eerste twee kunnen nog studiethema’s zijn die zich op diverse gebieden concentreren: politiek, sociologie, psychologie, enz. Ingaan op de derde vraag houdt in dat men een aantal stappen neemt, waardoor de krachten van het kwaad worden opgenomen en herkenbaar worden als eigen aan de mens.

Deze stappen zijn onderdeel van de manichese oefenweg Je kunt ze alleen uit eigen vrije wil zetten. Als eenentwintigste-eeuwse burger, ben je haast gedwongen om de eerste en tweede vraag af en toe te stellen. Je kunt er niet onderuit om je van tijd tot af te vragen: hoe komt het dat over de hele wereld mensen het slachtoffer worden van uitbarstingen van geweld? Hoe komt het dat mensen geweld plegen?

De derde vraag daarentegen: wie is het Kwaad?, is een vraagstelling die geen onmiddellijke antwoorden toelaat. Als er al zoiets als een antwoord zou zijn, dan kan het enkel ontstaan in het doorlopen van een weg Maar precies in het doorlopen van deze weg, kan er iets gebeuren dat meer is dan een antwoord vinden of krijgen. Deze weg is verwant aan de inwijding zoals reeds beschreven.

Van toeschouwer tot tijdgenoot
Als toeschouwer worden we wakker voor het tijdsgebeuren. Toeschouwer zijn betekent dat je tegenover feiten komt te staan, die op het ogenblik dat je er kennis van neemt, reeds voltrokken zijn. Ze zijn onomkeerbaar: ingrijpen kan niet meer. Dit is een onhoudbare toestand De onhoudbaarheid daarvan proberen we weer ‘houdbaar’ te maken, door bijvoorbeeld het leveren van allerlei commentaar, door lucht te geven aan verontwaardiging of verbazing, door van anderen te horen hoe ze ergens tegenover staan. Als toeschouwer reageer je op wat er is gebeurd. Naarmate een bepaalde vervelende of schokkende gebeurtenis dichterbij komt of ons persoonlijk treft, proberen we een uitweg te vinden. Een of andere oplossing. Een andere manier van reageren is te berusten in de onmogelijkheid er iets aan te doen Het is vaak maar een kleine stap van ‘ik weet niet wat ik moet doen’ naar ‘er valt toch niets aan te doen’. Maar ook dan draaien we rondjes om de naakte feiten heen.

Uit dit toeschouwersschap kun je jezelf bevrijden, namelijk door alle reacties tot zwijgen te brengen Zwijgen in de betekenis van innerlijk stil worden. Om het stil te laten worden, dienen commentaar en reactie, van welke aard dan ook, tijdelijk te worden opgeschort Het kan dan lijken of ‘je niets mag doen’! Maar het opschorten van een reactie is reeds iets doen. Het stil worden is niets anders dan de bereidheid te willen luisteren. Steeds intenser, steeds dieper te willen luisteren. En om iets te beluisteren, moet je het opnemen.

Wanneer je als toeschouwer  een groot deel van je reactiestrategiën inschakelde om de begeleidende pijn niet binnen te laten, dan kan het niet anders dat bij het opschorten van deze strategieën, de pijn mee binnenkomt. Een resonantieruimte scheppen kost moeite en pijn.

Van aangezicht tot aangezicht
Echter, de stilte die de luisterruimte laat ontstaan, kan tevens een stilte worden die aanvoelt als een wachten op iets wat zich wil voltrekken, maar wat nog uitblijft. Wat op zich laat wachten. Dit is het moment wanneer zich de overgang afspeelt tussen het in zwijgen toelaten en voltrekken. In het toelaten heb ik mezelf zo teruggenomen dat ik als het ware een punt ben, omspannen door een luisterruimte. In het  kunnen wachten, word ik bereid tot ontvangen. Ik word tot schaal. Het geduld dat nodig is om het luisteren te kunnen uithouden, is de tijd die nodig is, opdat er iets kan rijpen in mezelf. Wanneer dit zo ver is, kan er voltrokken worden wat op zijn beurt weer verwijst naar wat op deze stap in de mysteriecentra aan de orde was Ik word ingewijd in de wezensnatuur van dit tijdsgewricht En deze wezensnatuur draagt de signatuur van het kwaad. Een signatuur die ik heb leren kennen in zoverre ze zich uitspreekt in alle feiten die uitwerkingen zijn van het vermogen zich te kunnen afzonderen . Nu echter sta ik van aangezicht tot aangezicht. Alle vragen die er nog waren bij het toeschouwer zijn, ‘mijn’ vragen’, en alle antwoorden die ik heb opgeschort bij het toelaten, worden nu omgevormd tot die éne brandende vraag de vraag van het kwaad: kijk mij aan, verlos mij!

De acute of chronische nood, zoals ik die kon ervaren in het toeschouwer-zijn is niet langer meer de mijne, maar deze van de tijd. Niet alleen neem ik daar kennis van, maar het voltrekt zich in mij, het wordt wààr Voortaan ben ik ingewijd in de mysterieën van deze tijd In het tot schaal-worden, vindt er iets  plaats waarbij ik mezelf terugneem om iets  anders dan mezelf te kunnen opnemen en dragen. Uit die bereidheid om mee te dragen aan het lot van deze tijd, (het ‘genoot-worden), wordt een kracht geboren, die me tegemoetkomt en raakt Bereidheid en aanraking ontmoeten elkaar in het voltrekken van de draagkracht tot tijdgenootschap. In dit samenkomen speelt zich het geheim af van wat ik zelf voltrek en wat aan mij voltrokken wordt. Deze worden ondeelbaar één en kunnen niettemin worden onderscheiden. Ik ontmoet het eigenste gezicht van mijn tijd en omgekeerd, in de bereidheid tot meedragen, wordt iets verlost. Wat ik laat sterven in mezelf, staat in hetzelfde ogenblik weer op als een actieve kracht tot mee-dragen.

Vanaf dit ogenblik word ik tijdgernoot. Ik sta niet langer meer tegenover de gebeurtenissen die het aangezicht van deze tijd bepalen, maar ik kijk ze aan. En in dit aankijken herken ik ook mijn mede tijdgenoot.

En in hem beluister ik een begin van antwoord op de vraag : zijn er nog manicheërs onder ons?  En besef: het worden er steeds meer.

Christine Gruwez

Gepubliceerd in BRES 2009


[1] Zie o.a. * Peter Bryder, Where the faint traces of Manicheism disappear, AoF 15 (1988)