Tegenwoordigheid is een daad

(Otto Scharmer, Mahdi Yazdi en Rudolf Steiner)

Kort na de uitreiking van hun onderscheiding werden enkele laureaten van de Nobelprijs
2008 uitgenodigd op een ronde tafelgesprek, georganiseerd in het kader van het BBC programma World Debate. Nadat ieder van de deelnemers het eigen onderzoeksterrein had voorgesteld, kwam het gesprek als vanzelf op de huidige economische crisis. Wat, zo vroeg de moderator, was volgens hen de meest effectieve maatregel om de economie uit het slop te halen?

Zonder één uitzondering waren allen het over eens dat korte termijn maatregelen geen
werkelijke oplossing konden bieden. Men zou moeten leren denken over grotere afstanden in tijd. Maar nog roerender waren ze het er over eens dat er maar één soort investering was die de crisis in haar wortel zou kunnen bestrijden en tevens nieuwe ontwerpen zou kunnen genereren: het investeren in wetenschappelijk onderzoek en dit op alle domeinen van de cultuur, ja ook van kunst!

Denken in tijden van crisis
In het klimaat van de huidige wereldcrisis, waarvan geen enkel levensgebied uitgesloten blijft, treden steeds duidelijker twee manieren van zich daartoe te verhouden op de voorgrond. Het gaat dan niet om een zich verhouden in de sfeer van gevoelsmatige reacties, met alle bijverschijnselen van onzekerheid, angst en beklemming. Maar het gaat om een verhouding die tot doel heeft oplossingen te vinden die het tij kunnen keren. Dergelijke verhouding, ook al gaat het er om iets te ‘doen’, speelt zich inderdaad op de
eerste plaats af in het denken. Het gaat om een denkende verhouding. Een denken dat van die aard kan zijn dat het een bedenken van maatregelen voortbrengt en een denken dat in staat is om in en door het denkproces zélf, nieuwe toegangen te ontdekken.

Uiteraard zijn deze beide vormen om denkend tot nieuwe inzichten en van daar uit tot handelen te komen niet nu plots uit het niets opgedoken. Veeleer is het zo dat vanaf het allereerste ogenblik dat er een van zichzelf bewust denken is ontstaan, beide als mogelijkheid aanwezig zijn geweest. Met dien verstande echter dat vanaf een bepaald ogenblik in de ontwikkeling van de westerse wereld, de eerste wijze van denken, het
analytische denken de overhand heeft genomen om uiteindelijk een soort monopolie –positie op te eisen. De tweede manier van denken, -laten we die voorlopig het intuïtieve denken noemen- werd in de westerse wereld van af Descartes als niet wetenschappelijk bestempeld en kreeg bijgevolg niet langer een gelijkwaardige plaats toegekend binnen het gangbare discours.

Het kan interessant zijn om naar het fenomeen van deze twee manieren van verhouden en naar de ‘terugkeer van het intuïtieve denken’ zo te kijken dat je kan vaststellen dat er op dit punt drie ‘krachtlijnen’ van intuïtief denken–ieder met een eigen voorgeschiedenis- samenkomen en vanuit dit punt elkaar zouden kunnen ontmoeten. Dat deze ontmoeting veel meer nog een mogelijkheid dan werkelijkheid is, zal duidelijk worden door een omschrijven van ieder van deze krachtlijnen. ‘Het gaat er dan minder om de wortels van het intuïtieve denken op te sporen, dan wel om bij actuele vertegenwoordigers er van te rade te gaan. Dit belet niet om vooraf reeds een aantal onderzoeksvragen aan de orde te
stellen:

Wat kan de bijdrage van een dergelijke ontmoeting tussen deze stromingen zijn in het kader van de actuele crisis?
Welke is de bijdrage van ieder die zich betrokken voelt?
En ook: gaat het wel degelijk om een terugkeer? Was deze andere weg om tot kennis te  komen, het denken dat niet in de voetsporen van Descartes en Kant denkt, wel zo absoluut van het openbare forum verdreven? Of geldt dit enkel voor een bepaald deel van de wereld?

Aanwezigheid: een daad
Recent zagen een aantal spraakmakende publicaties het licht die allen als hoofdthema ‘presence’ en ‘presencing’ in het vaandel voeren. Het meest bekende onder hen is wel het gelijknamige ‘Presence’ op basis van een reeks doorgaande gesprekken met elkaar gevoerd door een groep van vier auteurs, o. a. Peter Senge en Otto C. Scharmer. Ook al richten deze auteurs zich op het eerste gezicht tot managers in het bedrijfsleven, met de bedoeling
een nieuwe, tevens werkbare-praktische inhoud te geven aan ‘leadership’, hun ideeën sloegen aan bij een veel ruimer publiek. De beweging die rond deze auteurs en hun geschriften is ontstaan en nog steeds toeneemt is de eerste en meteen ook de meest recente onder de drie krachtlijnen.

Eleanor Rosch (California Universiteit, Berkeley) in een interview met Scharmer zegt het volgende: ‘Er zijn twee types van kennen (cognition). Het eerste type is de analytische kennis, waarop alle conventionele wetenschap is gebaseerd. Het tweede type is dat waarbij een open en onvoorwaardelijke houding aan de basis ligt, eerder dan een vooropgesteld resultaat. Het is een denken dat rekening houdt met samenhangen, die verder reiken dan efficiëntie, een denken, waarbij diegene die denkt zich invoegt (inschakelt?) in een groter
geheel.’

Het is deze tweede vorm van kennen, door Scharmer ook wel ‘seeing with the heart’ genoemd die met ‘presence’ te maken heeft of anders gezegd : presencing, tegenwoordig worden aan jezelf en dit geeft toegang tot deze tweede vorm van kennen. Scharmer beschrijft dan ook een weg langs zeven stappen die tot dit openen van het hart kan voeren, de sleutel tot kennen van binnenuit. In het midden van deze weg, tussen de stap van letting go en de stap van letting come, opent zich het hart , samen met het denken (mind) en het willen, als kenorgaan van een hogere orde.

In een gesprek tussen Otto Scharmer en Arthur Zajonc (2003) wordt uitvoerig ingegaan op de ken-methode van Goethe, waarbij een weg wordt afgelegd van het uiterlijk exact waarnemen van een fenomeen tot een innerlijk waarnemen, (Anschauung, to behold) waarbij het fenomeen zich uitspreekt en de objectiviteit doorheen het hele proces kan bewaard blijven. Waar in de reguliere wetenschap het fenomeen wordt geïsoleerd en uit zijn samenhang gehaald en er een afstand dient te worden ingesteld opdat de objectiviteit gewaarborgd blijft is er hier sprake van een participeren aan het fenomeen. De dualiteit subject-object wordt in een hogere eenheid opgenomen. Het is duidelijk dat in hun publicatie,’ Presence’ het deze manier om zich denkend, voelend en willend tot de werkelijkheid te verhouden die basis en uitgangspunt is tot de praktijk van het tegenwoordig worden aan jezelf, waardoor ieder kennen ook een kennen van binnenuit kan zijn. Een kennen dat zichzelf bevrijd heeft van vooroordelen en denkgewoontes. Wat nauwelijks of niet aan de orde komt is een accurate beschrijving van het denkproces als
dusdanig. Want als het denken dat tot dit tegenwoordig stellen voert, niet hetzelfde is als het gangbare causaal- analytische denken, dan is de eerste vraag, nog voor de mogelijkheden ervan worden geduid,- deze naar het verloop zelf van een dergelijk denkproces.

Denken in Iran
Verrassenderwijze wordt op een bijzonder diepgaande manier aan deze vraagstelling tegemoet gekomen door een rij persoonlijkheden, die, onafhankelijk van wat zich in de Westerse wereld sinds Descartes heeft afgespeeld, een heel eigen denk-domein (of ook: denkkader(s)?) hebben ontwikkeld, waarin het discursieve denken niet de hoofdrol speelt. Het gaat om de wereld van de Iraanse filosofie , zoals deze voornamelijk vanaf de zestiende-zeventiende eeuw een eigen koers is gaan varen binnen de context van en in dialoog met de overige islamitische én met de westerse filosofie. Een van de huidige vooraanstaande vertegenwoordigers van deze richting is Mehdi Ha’iri Yazdi, die onder andere in Canada en USA filosofie studeerde en doceerde om in 1979 naar Iran terug te keren, waar hij zijn onderricht verder zette.

Hoofdthema in zijn denken is het kennen –in-en-door tegenwoordigheid (Knowledge by Presence’) een thema dat hij ook in de Engelse taal heeft te boek gesteld. Dit is de tweede van de krachtlijnen!

Yazdi onderscheidt twee vormen van kennis: kennis door overeenkomst (by correspondence) en kennis door tegenwoordigheid (by presence). Dit onderscheid is geen ander dan datgene dat ook door de auteurs van Presence wordt gehanteerd, met dit verschil dat Yazdi zich er op toelegt de denkprocessen voor deze beide vormen uiterst nauwgezet te beschrijven. Door zijn jarenlange omgang met de vertegenwoordigers van de westerse filosofie (Descartes, Hume, Kant, Hegel maar ook Heidegger, Russell, Wittgenstein, Popper, Habermas, met wie hij in zijn werken in dialoog treedt) is Yazdi bij
machte met grote precisie de kenmerken van het logisch-discursieve denken in het algemeen, en in het bijzonder de opsplitsing (Spaltung) subject-object bloot te leggen. Voor wat het kennen door tegenwoordigheid betreft, kan Yazdi bogen op een eeuwenlange traditie binnen de Iraanse filosofie waar uitzonderlijke gestalten zoals een Suhrawardi, en een Molla Sadra niet alleen de grondslagen hebben gelegd voor deze denkstroming, maar- en dat is verreweg het belangrijkste- een taal hebben gecreërd waardoor de afzonderlijke momenten van dit denken kunnen worden uitgedrukt.

Belangrijk is dat wanneer Yazdi (in het spoor van zijn grote voorgangers) het denkproces beschrijft, er steeds wordt uitgegaan van de triade: diegene die kent, datgene wat voorwerp is van het kennen en het denken dat als een activiteit in proces de brug tussen beide slaat.

Bij het analytische kennen is het object van het kennen extern aan diegene die kent. Het denken moet zich van voorstellingen bedienen en waarheid ontstaat wanneer er overeenkomst is tussen deze voorstelling en het externe object. Uit deze wijze van kennen zijn dan alle vraagstellingen naar een methodische zekerheid ontstaan, met de verscheidene standpunten terzake, die tot op heden ten dage in de westerse filosofie aan de orde worden gesteld.

Bij het kennen door tegenwoordigheid is het object van het kennen niemand anders dan diegene die kent. Anders gezegd: datgene waarop de denkactiviteit zich richt verschijnt binnen hetzelfde veld als diegene die de denkactiviteit verricht. Dit gebeuren verwijst naar ‘zelfkennis’ maar is echter niet te verwarren met introspectie, waarbij het ‘zelf’ als een extern element voor de blik van de kenner wordt opgeroepen en waarbij beroep moet
worden gedaan op voorstellingen van het zelf. Het is evenmin een samenvallen van de denker als subject én als object. Het is geen unio mystica! Yazdi beschrijft de mystieke ervaring en haar ‘vertaling’ = taalgebruik als een bijzondere vorm van het kennen door tegenwoordigheid. Maar in deze tweede manier van kennen blijft het triadische grondpatroon het kenmerk bij uitstek. Het is de dynamiek tussen de drie elementen die het kennen tot een kennen door tegenwoordigheid maakt. De rol van het denken en het transparant maken daarvan blijft een noodzakelijke voorwaarde. Noch zelfanalyse, noch versmelten maar een vol wakker aanwezig zijn in de denkact zelf , wat neerkomt op een tegenwoordig-zijn in zichzelf. Het gaat om het denken dat zichzelf kan dragen doorheen het proces van de denkactiviteit. Alle overig kennen, waarmee bedoeld wordt het kennen waarbij het kenobject een externe factor is, beschouwt Yazdi als een afgeleide van dit zichzelf dragende denken. En wanneer in het kennen door overeenstemming, er steeds een factor van onzekerheid blijft, een onzekerheid die door de cartesiaanse twijfel moest worden opgeheven, beschouwt Yazdi het kennen door tegenwoordigheid als een ‘leven in de onmiddellijkheid van de waarheid’. Tussen de kenner en het gekende is er geen voorstelling die de brug tussen subject en object moet slaan. Beide zijn van een identieke ‘natuur’ . In de dynamiek van het kenproces wordt dit wederzijds herkend en wordt het tot een ervaring van ‘heelheid’ die met een gelukservaring kan worden vergeleken.

Morele fantasie
Bij Sengen, Scharmer en de velen in hun voetspoor gaat het niet zozeer om een kenleer, dan wel om het veroveren van een innerlijke houding die in de interactie tussen mensen nieuwe mogelijkheden schept en dit door een verregaand beoefenen van bijvoorbeeld het luisteren als een zich onvoorwaardelijk met hoofd, hart en handen openen voor de realiteit van de ander.

Anderzijds heeft Yazdi wel degelijk een kenleer (epistemologie) op het oog. Uiteraard gaat het niet om een kennen dat er in bestaat dat data worden verzameld en bewerkt, -met andere woorden, het gaat om een kenproces waarbij de kenner noodzakelijkerwijze betrokken moet zijn- maar zijn intentie is deze van het exact beschrijven en weergeven van alle elementen die dit kennen door tegenwoordigheid, kenmerken. Op deze manier wil hij wie zich aangesproken voelt ook uitnodigen deze weg verder te zetten op de eigen manier.

Vanuit dit gezichtspunt vullen Yazdi en Scharmer elkaar aan. De eerste beschrijft de intieme aard van het kennen en van de tegenwoordigheid die daarmee samenhangt, de tweede beschrijft de stappen op deze weg. Richt Yazdi zich meer tot de ideële status van dit kennen-door-tegenwoordigheid, dan richten Senger, Sharmer e.a. zich meer tot de techniek er van. Bij Yazdi is tegenwoordigheid een aangelegenheid van het denken, bij Scharmer e.a. op de eerste plaats van het handelen.

De kracht van de hogere synthese
Er blijft nog een derde krachtlijn (of krachtveld? Ben niet zo tevreden met krachtlijn, maar vind niets beters voorlopig!) te vermelden, die op haar beurt deze beide (het ideële en het praktische) in een onderlinge dynamiek verenigt waardoor de mogelijkheden van het geheel worden ‘gesteigert’. Het gaat om veel meer nog dan een verbinden van twee tegengestelde elementen. Het gaat om een hogere synthese. Dit is de morele fantasie zoals Steiner deze doorheen de Filosofie van de Vrijheid ontwikkelt. Het zichzelf dragende denken, de ‘intuïtie’ sluit de intentie tot handelen in zich als intrinsiek element van het kennen –in-en-door-tegenwoordigheid. Wie kent in de onmiddellijkheid, herkent en verwerkelijkt tezelfdertijd (wird inne) de ware natuur van het Ik en wordt doordrongen van diens/een kracht. Een kracht die geen andere is dan de liefde tot de daad.

Immers, het ik, op het ogenblik dat het zichzelf realiseert in de kenakt, is zuivere tegenwoordigheid en openheid. Een openheid die geen extern object behoeft, maar principieel gericht is op wat zich ook moge voordoen. Het is liefde tot de daad, niet tot deze of gene daad, met uitsluiting van alle overige. En verder een tegenwoordigheid die verankerd is in dit zichzelf dragende, transparant gewordene denken als proces. Enkel het
denken dat bij machte is zichzelf te schouwen en tot transparantie te komen, kan tot dit kernmoment leiden. De liefde die het hart ontsluit zoekt nu om zich kenbaar te maken via het handelen. Indien het zichzelf dragende denken als ‘intuitie’ kan worden geduid, dan is in een ware intuïtie reeds mee inbesloten dat deze zich tevens op het handelen wil richten. Ze is in potentie reeds een morele intuïtie.

Tussen intuïtie als tegenwoordigheid in het kennen en tegenwoordigheid als intuïtie in het handelen, voltrekt zich de omvorming van idée tot concrete handeling. Morele fantasie is het vermogen om een gestalte te scheppen, niet voor het wàt van de handeling, (want dit ligt als kiem besloten in de intuïtie) maar voor het hoe er van. Het is immers het hoe dat bepaalt of een handeling samenhang sticht of juist een bestaande samenhang verstoort. Op dit punt, namelijk daar waar tussen de gegeven idée en de gegeven samenhang, het hoe als een nieuwe schepping beide met elkaar verbindt, – ontstaat de vrijheid. Het is de unieke bijdrage van Steiner om met de ik-tegenwoordigheid in het kennen en in het doen, dit is, met de morele intuïtie, dit moment bloot te leggen, waar in de mens vrijheid mogelijk wordt. ‘Vrijheid tot ‘nadat het hart zich heeft bevrijd van al dat wat het belemmerde om tegenwoordig te worden aan zichzelf.

Tezelfdertijd is iets gezegd ook over de eerste vorm van denken, die bijvoorbeeld in het geval van de economische crisis zich richt op dat wat al gegeven is en tot feit is geworden. Vervolgens deze feiten onderzoekt om van daaruit tot gevolgtrekkingen te komen, die bij machte zijn de situatie te veranderen. Op grond van feitenonderzoek ontwerpen deskundigen nieuwe theorieën, of keren naar eerdere denk-modellen terug om een bestaande situatie te duiden. Vervolgens worden deze als voorstellen overgeheveld naar de
bevoegde instanties die op basis daarvan maatregelen, treffen. Het blijkt ook dat heel vaak deze maatregelen slechts voor een deelgebied kunnen van toepassing zijn, waardoor elders de situatie nog erbarmelijker wordt. Tot er zich een nieuwe crisis voordoet.

Wat ontbreekt is het open, scheppende moment. Waarin een ruimte voor intuïtie, in de betekenis van de filosofie van de vrijheid wordt gevrijwaard. Waardoor bijvoorbeeld een maatregel het geheel van een situatie zou kunnen ten goede keren en niet enkel een deelgebied ter hulp komt. Waardoor zo naar een crisis zou kunnen worden gekeken, dat inderdaad over een langere tijdsafstand kan worden gedacht. Uiteraard volstaat het niet om dit scheppende moment ergens als een soort verbindingsstuk tussen onderzoek (hoe nauwgezet doorgevoerd ook) en implementatie (hoe correct afgehandeld ook) in te voegen. Het gaat om de benadering in haar geheel die om het aanboren van nioeuwe, menselijke mogelijkheden vraagt. Anders gezegd, enkel de tweede vorm van denken, het denken door en in tegenwoordigheid is in staat om ’ziende’ te worden en een situatie vanuit haar samenhang nieuw te denken.

Wordt het niet hoog tijd om deze tweede vorm van kennen–naast de eerste vorm- de plaats toe te kennen die haar toekomt? Welke mogelijkheden tot synergie liggen wellicht niet besloten in een mogelijk samenwerken van deze beide vormen om kennend een verhouding tot de kern van zichzelf te vinden en dus tot de werkelijkheid? De stemmen die daarvoor pleiten, wat ook hun context moge zijn, stellen uiteindelijk ook de vraag aan
ieder van ons. Want waar de eerste vorm van kennen gemakshalve nog kan doorgeschoven worden naar ‘deskundigen’ zijn we wat de tweede vorm betreft, allen deskundig. Op voorwaarde dat we de stap naar tegenwoordigworden zetten.

Christine Gruwez

Rudolf Steiner: Die Philosophie der Freiheit Verlag am Goetheanum

Mehdi Ha’iri Yazdi: Knowledge by Presence (The principles of Epistemology in Islamic Philosophy) State University of New York Press

Peter Senge, C. Otto Scharmer, Joseph Jaworski, Betty Sue Flowers; Presence. Human Purpose and the Field of the Future, Currency Doubleday? New York, London, Toronto