Plantijn-Moretus en het humanisme in de Nederlanden

Museum Plantijn-Moretus: De ontdekking van de boekdrukkunst – een mirakel

‘Wie voor zichzelf, op eigen denken bouwend, naar waarheid en kennis wil zoeken, die heeft het boek nodig dat hem onafhankelijk maakt van autoriteit.’ Rudolf Steiner in zijn herdenkingsrede over Gutenberg (Berlijn, 17 juli 1900)

In het Museum Plantijn-Moretus te Antwerpen sta ik voor de zoveelste keer in het vertrek dat ‘de grote bibliotheek’ wordt genoemd. Wanden met folianten en boeken, een tafel uitgestrekt genoeg om een schare lezers te laten aanzitten en houten buste’s met de koppen waaruit de ideeën ontsprongen zijn die hier dan in boekvorm zijn neergelegd. Plato, Aristoteles, Thomas van Aquino… En eens te meer proef en herken ik de sfeer die daardoor ontstaat, dat de duizelingwekkende bewegingen van geest en gemoed, die werelden kunnen omspannen, hier samengeperst zijn in een object, boek genaamd, en nu wachten tot iemand het boek opneemt, het opent en lezend hen daaruit bevrijdt. Herinneringen aan geziene en nooit bezochte bibliotheken vloeien samen. De bibliotheek in het San Marco-klooster te Florence – de eerste openbare uitleenbibliotheek ter wereld – de bibliotheek in het Strahov klooster bij Praag, waar Kepler en Tycho de Brahe nog ronddwalen, de bibliotheek van Alexandrië, verwoest, verbrand, die ik altijd weer opnieuw in de verbeelding probeer op te bouwen, of de besloten werkkamer van mijn vader, met de boeken achter glas in lood – de deurtjes waren doorgaans op slot en het gekleurde glas liet niet toe de titels te lezen. Maar welke aanwezigheid! Bibliotheek als oord van tegenwoordigheid. Het lezen als een permanente celebratie daarvan.

En opeens zegt degene die meegekomen is naar deze plek: ‘Laten we nog maar eens goed kijken. En ons dit alles goed inprenten. Want bij een volgende keer – waarmee hij wellicht bedoelt: een volgend leven – zullen er geen boeken meer zijn!’ Dit is een schok.

Twee wonderen in één

Een gelijkaardige schok moet in het voorjaar van 1455 de bezoekers van de beurs te Frankfurt hebben getroffen, toen ze er voor het eerst een gedrukte tekst te zien kregen. Gutenberg had er een aantal kleine katernen, elk vijf pagina’s tellend en ieder blad bedrukt met tweeënveertig lijnen bijbeltekst, te koop aangeboden. Ze waren meteen wég! Deze nieuwe ontdekking sloeg in. Een inslag die van vele zijden was voorbereid.

Dit was het moment waarop de drukkunst haar intrede deed. Europa was er klaar voor. De herontdekking van de wereld van de Oudheid en van de voorchristelijke mysteriën met hun onuitputtelijk lijkende rijkdom aan teksten, hadden bij velen de honger aangescherpt om zelf zich deze inhouden eigen te kunnen maken. Gedaan met de boeken die aan een ketting waren vastgelegd of met gedeeltes die onleesbaar of ontoegankelijk waren gemaakt! Gedaan met de abt die de bedstedes van novicen en monniken nazocht op verboden literatuur, zoals de Ars amandi van Ovidius. Gedaan ook met het buitensporige formaat van ingebonden folianten en codices, met hun gewicht dat niet toeliet tijdens de lange reizen, die een vast onderdeel waren van het leven van geleerden en kunstenaars, even een boek uit de zadeltas tevoorschijn te halen om dit tijdens het rijden te lezen.

De toenemende kennis van het Grieks vergrootte nog deze kennishonger. De val van Constantinopel deed de rest: tal van Byzantijnse geleerden staken met hun private verzameling manuscripten de Adriatische Zee of de Bosporus over, richting Italië. En in Italië bleek men daarop voorbereid. Reeds had Cosimo de’ Medici aan Marsilio Ficino opdracht gegeven de reeds eerder opgedoken teksten van Plato en het Corpus Hermeticum (een verzameling esoterische teksten uit de Oudheid) uit het Grieks te vertalen. Dit had het ontstaan van de Florentijnse Academie tot gevolg. Daar ontmoetten denkers en kunstenaars elkaar en uit hun bewogen gesprekken ontstond een nieuw christendom, met centraal daarin een nieuw beeld van de mens. Mens-zijn was niet langer een attribuut, dat je in de rangorde van de schepselen een plaats van onderdanigheid ten overstaan van de Schepper toewees en van boetvaardigheid omwille van je ingeboren zondigheid.

Nee! Mens-zijn was een uitzonderlijke gave, een uniek voorrecht, een wonder, het grootste wonder – magnum miraculum! – en maakte je tot een wezen voorbestemd om zélf de eigen plaats in de schepping te bepalen. Enkel aan dat laatste ontleende je je waardigheid en werd je tot mens. Als geschapen wezen kom je op deze wereld, tot mens maak je jezelf. De eerste geboorte krijg je, de tweede – de ware – is jouw daad. Of ze gebeurt niet. Homo faber sui. Mens is wie zichzelf tot mens maakt. Het humanisme was geboren.

Het ene mirakel is dat van de ontdekking van de boekdrukkunst. Zo eenvoudig als het lijkt: afzonderlijke in lood gegoten letters, een matrijs waarin deze worden ingepast, inkt, een drukpers (een combinatie van boekbinderspers en wijnpers) – het kostte de graveur en steensnijder (gem-cutter) Johann Gutenberg vijftien jaren en heel wat geld om dit drukprocédé zover te ontwikkelen dat het inderdaad werkte. Maar toen het eenmaal werkte, was het ook niet meer tegen te houden!

Het andere mirakel is dat van de ontdekking van de mens als degene die voor zichzelf een plaats bepaalt in de orde van de wereld. Ook dit bleek een uiterst werkzaam procédé en niet meer tegen te houden. Maar in tegenstelling tot de boekdrukkunst (en het uitgeversvak) die een uiterlijke zegetocht begonnen, zal het ontwakende humanisme vrij spoedig ondergronds moeten gaan, om enkel nog hier en daar, in geïsoleerde figuren naar buiten te kunnen treden. En het vrijheidsgebied dat een generatie lang in Europa kon ontstaan, doordat de ene ontdekking de andere tot instrument koos en omgekeerd, zal weldra omslaan in zijn tegendeel. Boeken zullen op de index worden geplaatst en worden verboden. Boeken zullen worden verbrand omwille van de erin vervatte ideeën die op dit oorspronkelijke humanisme zijn geïnspireerd. Maar voor het zover is, ontstaan er in Europa op verschillende plaatsen centra waar uitgevers, drukkers, humanisten, schrijvers en lezers zich verenigen rondom een gemeenschappelijk ideaal: van de mens die zich bevrijdt uit de bedding van autoriteit en traditie om tot schepper te worden van een cultuur die op vrijheid is gebaseerd. En niet zelden verenigde één en dezelfde persoon in zich auteurschap, uitgeversactiviteit en drukkersberoep.

Aldus Manutius, ‘uomo universale’

Teobaldi Manucci werd in de buurt van Rome geboren. Zijn geboortejaar is niet bekend. Vermoedelijk ligt dit rond 1450. Wel bekend is welke opvoeding hij kreeg. Hij leerde Latijn te Rome en spoedig nadien Grieks te Ferrara. Daar ontmoet hij voor het eerst Giovanni Pico della Mirandola. Er ontstaat een vriendschap die tot aan de vroege dood van Pico zal standhouden. Het is overigens deze laatste die hem aanbeveelt bij zijn familie voor de opvoeding en het onderricht van twee jonge neven, de prinsen Alberto en Leonello Pio. Rond 1490 vestigt Aldus Manutius, zoals hij zich gaat noemen, zich te Venetië. In het voorwoord van zijn eerste

gedateerde uitgave maakt hij duidelijk waarom hij deze comfortabele leraars-positie verliet voor een beroep dat niet alleen weinig lucratief was, maar tevens tal van risico’s inhield: ‘Ik heb besloten mijn hele leven in dienst te stellen van mijn medemens. God is mijn getuige. Ik verlang niets anders dan iets voor hem te doen, zoals blijkt uit mijn verleden, waar ik het ook heb doorgebracht en zoals naar ik hoop nog meer uit mijn toekomstige daden zal blijken.’ Venetië is op dit ogenblik een belangrijk knooppunt tussen Oost en West. Van meet af aan legt Aldus zich toe op het drukken, en dus verspreiden, van Griekse uitgaven. De universiteiten van Padua, Bologna en Ferrara, naast de kring rondom Lorenzo de’ Medici in Florence, betekenden een belangrijk afzetgebied. Hij ontwerpt een Griekse drukletter op basis van het handschrift van een vriend, Marcus Musurus. Zo geeft hij de werken uit van Aristoteles, in het Grieks, uiteraard. Overigens, zo tussen 1495 en 1498, was het bijzonder onrustig en woelig aan sommige faculteiten van de universiteit te Padua. De studenten weigerden de lessen verder bij te wonen indien ze de Stagiriet, zoals Aristoteles genoemd werd naar zijn geboorteplaats Stagira, niet in de oorspronkelijke taal te lezen kregen. Maar beroemd wordt Aldus Manutius omwille van zijn ‘romein’, een haast volmaakte, klassieke letter. Een jaar nadat hij de Opera omnia (het verzameld werk, zouden wij nu zeggen) van de door hem uitermate bewonderde Angelo Poliziano laat drukken, verschijnt de Hypnerotomachia Polyphili, een uitgave die door de harmonie tussen tekstbeeld en illustratie ongeëvenaard mag worden genoemd. ‘Hypnerotomachia Polyphili’ betekent letterlijk: het gevecht tijdens de droom van Polyphilus. Het is een allegorisch verhaal over het huwelijk tussen Polia, een nymf, en de held Polyphilus (hij die de veelzijdigheid liefheeft) en is een aaneenschakeling van droomvisioenen uit een soort bruidsstoet met heidense en christelijke elementen. Voor sommigen is het een regelrecht obsceen verhaal, vanwege de scène bij Priapus, een vruchtbaarheidsgod uit de oudheid, voor anderen is het een beeld van het met elkaar vermengen en verbinden van het antieke erfgoed en de christelijke traditie. Een beetje een scandaleus geschrift toch, maar het was ontzettend geliefd en de prachtige illustraties maakten het nog begeerlijker. Hoe dan ook, het schijnt dat Manutius er een meesterwerk van maakte. Dit huwelijk tussen Polyphilus en Polia is een zinspeling op de verbinding tussen humanisme en hermetisme. Albrecht Dürer had er een exemplaar van in zijn bezit. De kunstenaar was overigens een graaggeziene gast in de Neo-Academie, die door Manutius werd gesticht en bezield en die haar verbindingen had met de Academie in Florence. In diezelfde jaren vertoefden Conrad Celtis, die in Nürnberg een school voor dichters had opgericht en Johannes Reuchlin, de kabbalist uit het Rijnland, in de kringen rondom Manutius. Reuchlin zal een werk over de Kabbala schrijven dat hij opdraagt aan paus Leo X. Het is een voortzetting van het onderzoek dat Pico della Mirandola op dat gebied was begonnen. Het humanisme is dus duidelijk een kosmopolitische beweging. In latere jaren is Aldus Manutius ook bevriend geraakt met Erasmus, die enkele van zijn geschriften door hem liet drukken. De uitgave van Erasmus’ Adagia in 1508 zal tot de succesvolste van de 16e eeuw gaan behoren. Het is niet overdreven om van een bestseller te spreken. Manutius kon het tot oplagen van duizend exemplaren brengen, een zeldzaamheid, waar de meeste drukkers van zijn tijd het in het beste geval tot een oplage van tweehonderd brachten. Tot die grote verspreiding droeg ook bij dat Manutius als eerste het ‘octavo’-formaat gebruikte. Het boek paste in de hand van wie het las en kon hem bijgevolg overal en in alle omstandigheden vergezellen. Het cursief, eveneens een inspiratie van Aldus Manutius, draagt bij tot de vlotte leesbaarheid. Luchtig en sierlijk ademt de letter over het papier. De benauwenis van het gotische schrift is overwonnen.

Plantijn en het Huis der Liefde

Voor Aldus Manutius had het uitgeven met alles wat daarbij hoort slechts één functie: een poort in Europa openzetten voor de stroom van het humanisme. Uitgeven was een van de opgaven binnen de Academie die hij had opgericht. Christoffel Plantijn is boekbinder wanneer hij zich vestigt te Antwerpen – in het begin van de 16e eeuw een schitterende Renaissance-stad. Een overval, die hem een blijvend letsel aan de schouder toebrengt, doet hem de stap zetten naar de drukkerij. In 1555 rolt het eerste boek van zijn persen. Voor Plantijn wordt uitgeven de poort waardoor het humanisme binnenkomt. In de kortste tijd is hij de belangrijkste van de Antwerpse drukkers geworden. Weldra heeft hij een kring van bevriende humanisten en kunstenaars om zich heen. Uit de uitgeverij ontstaat een Academie. Naast de schare werkvolk die aan de persen staat – minstens drie zijn er nodig om een pers te bedienen en Plantijn beschikte op een bepaald ogenblik over meer dan twintig persen, een unicum – was er ook een team van proeflezers en correctors. In de jaren dat het meesterstuk van Plantijn wordt gedrukt, de Polyglotta, de bijbeltekst in Latijn, Grieks, Hebreeuws, Syrisch en Aramees, wat hem de titel van ‘koninklijk aartsdrukker voor Filips II’ oplevert, werken er dagelijks al veertig man aan de teksteditie alleen! In het kleine correctors-kamertje zal het een gaan en een komen zijn geweest met de pas gedroogde vellen die op fouten werden nagelezen. Het is wonderlijk te vernemen dat de dochters van Plantijn al heel jong met deze vreemde schriftsoorten vertrouwd waren en in staat waren om ze aan de corrector voor te lezen. Men kan zich de gesprekken voorstellen die tijdens en na het intense werk ontstonden en de geest van openheid en verdraagzaamheid die daaruit opbloeide. En dit in een stad die gaandeweg in de greep van de Contrareformatie en het daaropvolgende machtsimperium van de jezuïeten geraakte. Het is bekend hoe Plantijn door zijn vele contacten meer dan eens een op de vlucht zijnde ketter en zijn familie weet te helpen. Plantijn is lid van de tolerante groepering ‘De Politieken’ en voert een briefwisseling met Willem van Oranje. Ook sluit hij zich aan bij een esoterische kring, ‘t Huys der Liefde, gesticht door Hendrik Niclaes, uit de Noordelijke Nederlanden afkomstig, een beweging die naar ‘Het land van belofte’, het oorspronkelijke christendom, op zoektocht was. Zijn opvolger, Hiël, Hendrik Janssen van Barrefeldt, onderhoudt nauwe contacten met de humanistische kring rond Plantijn. Het hermetische gedachtegoed en in het bijzonder de Pimander staat in het centrum van hun uitwisselingen. (Pimander = Poimandres, letterlijk: ‘herder van de mensen’. Hij wordt gelijkgesteld met Hermes Trismegistos of is zijn gezant.) De Pimander is het eerste geschrift in de reeks van ongeveer veertien geschriften die als één bundel (het Corpus Hermeticum) rond 1460 in Firenze aan Cosimo de’ Medici wordt gebracht en door Ficino ogenblikkelijk wordt vertaald. Men was er toen immers van overtuigd, en Cosimo in de eerste plaats, dat het hier om de oudste wijsheidsteksten van de mensheid ging, door Hermes Trismegistos zelf gedicteerd of geschreven. In de kring van Plantijn sprak men over de Logos, het licht, dat zich in ieder mens bevindt als in een ‘kleyne werelt’, zoals in de ‘groote werelt’ Gods zoon is neergedaald. Tot deze kring behoorde tevens Arias Montano, hebraïst en vertrouwenspersoon van Filips II. Montano koesterde een grote bewondering voor de denkbeelden van Hiël. Dit kan een verklaring bieden waarom Plantijn, ondanks herhaalde moeilijkheden – en een vlucht naar Parijs – zijn werkzaamheden toch heeft kunnen voortzetten. Plantijn, evenals zijn meest vertrouwde vrienden Lipsius en Ortelius, zocht naar een politieke en kerkelijke organisatievorm die de burger in staat zou kunnen stellen zonder inmenging van buitenaf de idealen van het humanisme na te streven. Iedere vorm van fanatisme werd daarbij van de hand gewezen. Godsdienstvrede was pas mogelijk indien ook aan andersdenkenden vrijheden werden verleend.

In het archief van Plantijn bevindt zich een manuscript van de eerste Nederlandse vertaling van het Corpus Hermeticum. Het is niet onwaarschijnlijk dat een van Plantijns schoonzonen de vertaler is geweest. Aan een uitgave heeft Plantijn zich niet gewaagd. Rond 1580 echter verscheen de Geestelijke Reyse eens Jonghelincks, een geschrift van Hiël dat Plantijn uitgaf zonder vermelding van jaartal en plaats. Het zal echter voor niemand die het boekje in handen kreeg een geheim zijn geweest uit wiens drukpersen het was gerold. Plantijn leefde en werkte in die woelige jaren waarin het humanisme reeds gedwongen werd ondergronds te gaan. Omringd door de juiste vrienden, wist hij deze idealen te vrijwaren. Een laatste vrijplaats in het hart van wat toen nog de Nederlanden waren.

Deze plaats is nu een museum geworden. Ook al wordt daarin de aandacht voornamelijk geleid naar het – niet te onderschatten – vakmanschap van de drukker en zijn opvolgers, nog steeds ademt deze plek iets van de geest, die ondanks alle tegenspoed, de idealen van de ‘homo faber sui’ trouw wist te blijven. Over twee zalen verspreid hangen de portretten van de initiatiefnemers van dit beeld van en voor de mens: Cosimo en Lorenzo de’ Medici, maar tevens Marsilio Ficino, Angelo Poliziano en Pico della Mirandola.

Het is nu uitkijken naar de dag waarop dit ideaal weer bovengronds kan komen. Ongeacht of er dan nog ‘boeken’ zullen zijn of niet!

Christine Gruwez

Artikel uit: Motief, maandblad voor antroposofie - nr. 36, december 2000 © Antroposofische Vereniging in Nederland www.antroposofie.nl