Interview Motief 2006

“Islam begrijpen doorheen de oerbeelden”

De maatschappelijke onrust over de relatie tussen christendom, jodendom en islam neemt toe. De beeldvorming wordt vijandiger en karikaturaler, zoals onlangs pijnlijk aan het licht kwam met de Deense cartoonaffaire. We lijken steeds minder van elkaar te begrijpen. Christine Gruwez, cultuurfilosoof uit Antwerpen en gespecialiseerd in het manicheïsme en de islam, trekt van plaats naar plaats om voordrachten te houden over oefenwegen om tot een beter begrip te komen.

Jana Loose sprak met haar over haar zoektocht en de noodzaak de weg naar binnen te gaan om in de wereld een waarachtige tijdgenoot te kunnen zijn. Tekst: Jana Loose

Mohammed  en Gabriel: wat hebben ze met elkaar vandoen?

Ze wordt veel gevraagd als spreekster en schrijfster, het is nauwelijks mogelijk een afspraak met haar te maken. Net terug uit Marokko waar ze een groep heeft rondgeleid, heeft ze een paar dagen tijd voor een kort bezoek aan Emerson College in Engeland, en vóór ze weer naar Samotrake vertrekt, gaat ze nog een voordracht houden in de buurt van Zeist. Die middag strijkt ze even neer in een tuin naast een vijver waarvan het kabbelende water ons gesprek begeleidt. Haar tengere gestalte maakt een kwets- bare indruk, ze is verkouden geworden tijdens de laatste vliegreis. Maar als ze spreekt, merk je haar kracht. Haar zachte stem maakt muzikale boogjes en fraaie articulaties; aan het eind van iedere zin lijkt even een vraagteken mee te klinken, op zijn Vlaams.

Tegenhanger of projectie?

Als je spreekt over de islam, en dat is vaak voor een antroposofisch en christelijk georiënteerd publiek, doe je dat met groot respect en achting voor die religie. Mohammed wordt in de islam gezien als de laatste der profeten, als degene die de profetie bezegelt, krijg je daar geen vragen over?

“Jazeker. Onlangs nog, toen ik sprak over de twaalfde imam en het belang van deze geestelijke gestalte in de shia. Daar kwam onmiddellijk de vraag: is dat een ahrimanische tegenhanger of is hij een projectie van de etherische Christus? En dan antwoord ik: ‘De twaalfde imam is niet symbolisch – hij is een realiteit, hij is een geestelijke gestalte.’ En wat Mohammed betreft, die verdient achting. Wij zijn zo geneigd om verklaringen te vin- den, met de beste bedoelingen, maar als je bijvoorbeeld hoort dat Gabriël voor de moslims degene is die in het begin het woord Gods aan Mohammed heeft geopenbaard, dan kun je dat ook eens vijf minuten laten staan in plaats van meteen te willen weten of deze Gabriël wel dezelfde als ‘die van ons’ is.”

En wat vind je dan van het ‘arabisme’ waarover de idee bestaat dat het een antichristelijke stroming zou zijn? “De term arabisme werd door Rudolf Steiner gehanteerd voor de geestelijke stroming die berust op impulsen uit de academie van Gondishapur, een stad ten oosten van Bagdad die nu geheel verdwenen is. Deze plaats heet nu Dezful en ligt in zuidwest Iran. Ik was daar en heb daar rondgekeken, er is echt niets meer te zien, alleen vanuit de lucht kun je de contouren van de stad nog onder het zand zien liggen. Tot in de elfde eeuw was dit een centrum van weten- schapsbeoefening. Averroës, de grote uitgever en commentator van Aristote- les, was hiermee volgens bepaalde westerse interpretatoren verbonden, maar dat berust op geen enkele historische basis. Deze academie en de andere grote filosofische scholen die in het Nabije- en Midden Oosten zijn ontstaan, waren allemaal platonische scholen. Averroës dácht platonisch en begreep en becom- mentarieerde Aristoteles op platonische wijze en om zijn geheel eigen wijze van interpretatie werd hij uiteindelijk door de orthodoxe islam in het Moorse Span- je, ten tijde van de Berberdynastie van de Almohaden, veroordeeld. Hij had slechts een beperkte invloed in de islamitische wereld en ik begrijp nog steeds niet wat het ‘antichristelijke’ bij Averroës zou zijn. Steiner spreekt over Gondisha- pur, omdat zich daar blijkbaar iets heeft afgespeeld wat van een bijzonder karak-

ter was en waardoor het indalen van de bewustzijnsziel vervroegd zou worden. Daar laat Steiner zich positief uit over islam, want die heeft dit kunnen tegen- houden. Laat dit duidelijk zijn: arabisme en islam zijn twee verschillende zaken. Steiner heeft zich in positieve zin over de islam uitgelaten toen hij uit de Koran citeerde, de 19e soera over Marjam en de geboorte van Jezus. Hij hield op die dag – 16 mei 1916 in Berlijn – zijn gehoor voor dat ‘in deze oorkonde’ zó over aspecten van het Christuswezen gesproken wordt, zoals tallozen die zich christenen noe- men, niet in staat zijn te doen.”

Wereldverbeteraar

Hoe komt het toch dat ideeën zo hardnekkig zijn? “Mensen zijn vaak bevangen door een idee; iedereen kent het wel, vooral als je iets voor het eerst ziet of hoort en dan meent te ontdekken hoe wáár het is. Dat heeft een grote impact. Dat waarheids- beleven kan bevangend werken.” Christine Gruwez kent het zelf maar al te goed. Toen haar kinderen in Antwer- pen naar de Vrije School gingen, ging zij daar geschiedenislessen geven. Ze wist nog niets van de Vrije School en besloot meteen een opleiding te volgen. Al in de eerstvolgende herfst zat ze in Stuttgart bij de ‘lerarenconferentie’. Ze raakte zó bevangen door de Vrije School pedagogie dat ze op haar eigen school een soort wereldverbeteraar werd. Haar stem aarzelt even: “Toen heb ik – met alle goede bedoelingen – sociaal veel verstoord. Ik wilde de orthodoxie terug tegen de zin van anderen in. Daarmee heb ik scheuren in het sociale weefsel gemaakt, iets van de sociale kwaliteit, van de gezelligheid ging verloren. En er kwamen twee fracties: de vernieuwers die alles over een andere boeg wilden gooien, en de meer gematigden. Het is nooit meer geworden als voordien. Dat is wat er kan gebeuren als je geen ruimte meer hebt tussen jou en het idee.”

Hoe heb je die ruimte gevonden?

“Op den duur word je milder. Ik merkte dat er dingen waren die mij echt niet luk- ten, dat ik anderen nodig had. Dan komt een andere dimensie in zicht. In die zin is mijn Vrije School periode – die zo’n tien jaar geduurd heeft – heel leerzaam geweest. Je kunt goede ideeën hebben, maar er is meer nodig dan dat. Daar is ruimte voor nodig, een veel ruimer veld dan je eigen binnenwereld, en dat vind je pas als je dat veld kunt delen met ande- ren.” Ze raakte betrokken bij de Vrije Volkshogeschool in Antwerpen waar onder meer Vrije School pedagogie, filosofie en antroposofie aan bod kwamen, niet dogmatisch maar in dialoogvorm. Samen op onderzoek gaan, bleek heel bevrijdend te zijn.

Passie voor politiek

“Ik weet nog goed hoe ik op mijn krakkemikkige teeveetje de eerste beelden zag van de Golfoorlog. Dat duistere beeld met die lichtflitsen, zó onwerkelijk en meteen zó onweerlegbaar aanwezig. Het was niet te ontkennen, niet te negeren. Maar ik voelde me mach- teloos. Wat kon ik doen?” Door de inslag van de Eerste Golfoorlog brak geleidelijk aan bij Christine een nieuw idee door, een idee met een ongelooflijk sterke kracht die haar weer zo’n tien jaar lang zou bezighouden: de idee van de ‘Directe Democratie’. Ze ging op de barricaden, nu samen met anderen, om de directe democratie ingevoerd te krijgen in België. Deze keer liep ze niet zo hard van stapel, want doordat ze samenwerk- te met een groep was er meer tijd nodig om de idee transparant te maken. “Dan moet je voortdurend ervoor waken dat je dingen terughoudt, niet te snel in de actie schiet. In je dragen, maar nog niet meteen naar buiten dragen. Daar kwam voor mij de ontdekking van het element tijd – dat er tijdsduur nodig is. Je kijkt met elkaar naar iets dat langzaamaan voor je ogen helderder wordt, opklaart en tot een kwaliteit wordt, die je jezelf eigen maakt. Ik ben er nu niet rechtstreeks meer bij betrokken, maar de beweging bestaat nog steeds en is tot een Europees netwerk geworden dat onder meer referendumcampagnes organiseert.”

Welke veranderingen in de cultuur hadden jullie voor met die directe democratie? “We vroegen ons af: wat is nu eigenlijk het geestesleven, wat is cultuur? Het gedachtegoed van Joseph Beuys zat er sterk in, een lid van de groep kende hem persoonlijk. We voelden: als een idee wil incarneren, dan is het voldoende als een klein groepje mensen met elkaar iedere keer weer probeert die idee in de beleving te krijgen. Als groep hebben we deelgenomen aan verkiezingen met een gelegenheidspartij die zonder kleur was en die we daarom ook ‘WIT’ noem-den. Later maakte iemand er ‘Werkgroep Implementatie van de Tijdsgeest’ van. We hadden één programmapunt: invoering van directe democratie in België.” Ze stonden op jaarmarkten en hadden er de wonderlijkste gesprekken. Een keer wees een burgemeester hun aan- vraag voor deelname aan de plaatselijke jaarmarkt af met de woorden ‘Verbeeldt u zich eens, dat hier zomaar iedereen kwam staan en met elkaar begint te spreken over politiek en zo’. “Wij van onze kant schreven hem terug: ‘Dat is precies wat we ons verbeelden!’ Het was een heerlijke tijd, alles was in een grote beweging.”

Hier raakt Christine echt op dreef, haar ogen lichten op en met een onverwachte felheid vervolgt ze: “Het politieke is zó passionerend, daar speelt het leven zich af en het leven zelf is doordrongen van de politiek! Hier wordt duidelijk hoe de verhoudingen liggen in de gemeenschap. Door bevestiging van het machteloze gevoel van ‘we kunnen toch niets doen’of ‘ze doen maar daar’ wordt een vorm van machtsmisbruik toegepast. Erger nog, je werkt mee aan dit machtsmisbruik door toe te geven aan je eigen gevoelens van onmacht! Door daar tegenin te gaan, kun je komen tot het punt waar je jouw eigen kracht gaat voelen. Dat was een echte ontdekkingsreis.”

Drie lagen

Je hebt dus als docent op de Vrije School geleerd wat er mis kan gaan als je te weinig ruimte hebt tussen jezelf en een idee en in de volgen- de periode bij ‘WIT’ heb je het belang van de tijdsduur ervaren. Je bent filosofie en Iranistiek gaan studeren in Leuven en je hebt je gespecia- liseerd in het manicheïsme. Sindsdien doemen de thema’s macht en onmacht en het omgaan met het kwaad op in je voordrachten en in je geschriften. Welke volgende stap heb je hier gemaakt?

Christine gaat even verzitten om de omschakeling te maken en haar antwoord bedachtzaam te formuleren. “Het heeft te maken met inzicht, meteen begrijpen dat niet intellectueel is – hoewel dat ook een rol speelt – maar op een diepere laag. Het thema van het kwaad vraagt om een dergelijk soort begrijpen. Daarvoor moet er ruimte gemaakt worden waarin je dit kwaad kunt aankijken en ermee tot een soort relatie kunt komen. Daarvoor moet je door heel veel fasen waarin je het even niet weet, en dat belemmert de machtsuitoefening.” Toen ik onlangs een voordracht van je over de islam meemaakte, heb ik me erover verbaasd dat je alleen maar sprak over de oorspronkelijke religieuze achtergronden en niets zei over de uitwassen en de problemen.

“Ik probeer steeds wanneer ik over een religie spreek, of het nu over het christendom gaat of over een andere religie, om een beeld te schetsen van de zuivere oorsprong, van de scheppende oerbeel- den die nog steeds van kracht zijn in elke religie. Dit scheppende, werkzame oerbeeld dat in Gods wezen zijn oorsprong heeft, vraagt erom dat het geopenbaard wordt. Deze openbaring gebeurt door bemiddeling, bijvoorbeeld door de pr feten. Een volgende stap is dat deze openbaringen vervat worden in een heilig schrift, dat Gods Woord is. Zo’n beeld incarneert dan verder in samenlevingen,in culturen, in allerlei soorten mensen. Het wordt verdicht en in dat proces zie je van alles ontstaan, als theologie of als doctrine. Vervolgens kan het dan dogmatisch worden en als het nog verder verdicht, ontstaan de gewoontes. Om het bloot te leggen en een aantal facet- ten in hun zuiverheid te laten zien, maak ik onderscheid in die drie lagen. De laag van het oerbeeld en de openbaring; de tweede laag waar het geopenbaarde in theologie, leerstellingen, rechtssyste- men, instellingen of in een kerk wordt ondergebracht; en de derde laag waarin dit alles doorsijpelt in de gewoontes en tradities die het weefsel van een cultuur uitmaken. Dit onderscheid is bijna niet uit te houden, want de verschillende lagen springen tegelijk tevoorschijn. Maar ik leg de nadruk op die oerbeelden, omdat ik tot de overtuiging gekomen ben dat het voor een dialoog nodig is om toegang te hebben tot de oerbeelden, om te beginnen tot dié oerbeelden die aan de oorsprong liggen van de eigen cul- tuur. Wil je de islam begrijpen, dan moet je eerst het oerchristelijke proberen te benaderen en te begrijpen. Ik denk dat het niet mogelijk is om de cultuur van de islam binnen te dringen als je niet in het oerbeeld van je eigen cultuur door- dringt. Daar waar moslims Isa, Jezus, kennen en als profeet hoogachten, maar deze niet met Jezus, de zoon van God, kunnen verbinden, kun je jezelf de vraag stellen: begrijp ik dit wel? Ben ik er bin- nenin geweest, begrijp ik het op een diepere laag? Als je daar begint stappen te zetten, kan er iets oplichten. Anders blijft het een theologische, doctrinaire discussie. Daar wil ik naartoe werken: mensen oproepen om innerlijke ruimte te maken om het eigen oerbeeld te laten oplichten.”

In haar onlangs verschenen boek ‘Tijdgenoten onderweg’ beschrijft Christine Gruwez een manicheïsche oefenweg in vijf stappen om het schijnbaar ondraag- lijke in de wereld werkelijk aan te zien, het uit te houden en er deelgenoot en tijdgenoot van te worden. Een van die stappen betreft het noodzakelijke zwij- gen na het aanschouwen. De kunst van het niet te reageren. Pas als ze vertrok- ken is naar haar volgende afspraak, rea- liseer ik me dat Gruwez niet alleen haar zinnen zorgvuldig opbouwde, maar dat ze in haar zinswendingen de stilte van dat zwijgen heeft laten meeklinken. ∏

Van Christine Gruwez verscheen onlangs: Tijdgenoten onderweg, 2006 Rudolf Steineracademie, Antwerpen; en Grasmuziek, poems, 2005 Het Zand, Antwerpen.

MOTIEF MAANDBLAD VOOR ANTROPOSOFIE SEPTEMBER 2006