De zin en de zen van de Zonneboom

Lezing Christine Gruwez ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van de Zonneboom op 14 november 2009

Het feest is ingeluid en ik wil toch nog zo beginnen dat ik zowel Ger als Jan in mijn naam, maar ik neem aan ook in uw naam van harte feliciteer met deze 25 jaar.

Ik gebruik een beetje opzettelijk het woord feliciteren. Het is deze keer niet een Vlaamse taalingeving, omdat in het woord feliciteren ook het woord Felix zit. En Felix betekent meer dan geluk. Als je zegt gelukwensen, dat is eigenlijk nog niet genoeg. Felix betekent ook gelukzalig, een stukje zaligheid, die jullie beiden althans hebben laten stromen en die ik wil laten terugstromen naar jullie toe.

Het is ook een jubileum. En een jubileum, dat heb ik ook nagezocht, daar zit het woord jubileren in. De kersttijd komt eraan en u weet, dat dan als het zover is, de herders, maar ook de engelen in koren zullen jubileren, jubelen. Dus een jubileum is een gelegenheid om te jubelen en jubelen betekent: doortonen, doorklanken, het mogen zelfs kreten zijn, je vreugde te kennen geven.

Dus bij deze zet ik ook dit jubelende feestgedruis van mijn kant uit ook weer even in.

Een tijdje geleden, eigenlijk voor de zomer, belde Ger mij op en zei, velen onder u weten wel hoe Ger een vraag weet te stellen aan iemand, “Zou je er iets voor voelen om over de zin en de zen van de Zonneboom iets te komen vertellen ter gelegenheid van ons feest?” En dat stond daar zo, zin en zen van de Zonneboom. Het swingt een beetje, dat hoort u misschien. Het heeft ook te maken met de alliteratie: zin en zen van de Zonneboom. Het stond er ook zo gegoten uit een stuk. Een beetje zoals Ger ook is: gegoten uit een stuk en toch swingend. En het leek mij alsof ik op dat ogenblik eensklaps de Zonneboom voor mij ten voeten uit zag verrijzen.

Bij het binnenkomen heeft u ook de Zonneboom gezien, die heeft u begroet en dan heeft u gezien, die Zonneboom, hoe daar in de takken het beeld zowel van Jan als van Ger verschijnt. Ik had meteen zo de vraag: hoort dat wel in de takken thuis? Maar nu, dat is een vraag die bij mij op dat ogenblik opkwam, want als ik aan de Zonneboom denk, en dat is een beeld uiteraard – en inderdaad, zoals Bert de Graaff al heeft aangegeven hebben we daar in het verleden meer dan een keer bij stil gestaan – en dat vroegen de mensen, wat is dat eigenlijk, die Zonneboom, wat voor soort beeld is dat, welke beelden komen tot ons als we ons de Zonneboom voorstellen. Want moet u maar eens kijken wat komt als eerste bij u. Bij mij komt als eerste een machtige stam, zo machtig dat ik mij de wortels ervan nauwelijks kan voorstellen, want die moeten zich heel diep in de grond binnenboren. En die moeten zich ook heel ver kunnen uitstrekken, wijd en zijd: een machtige stam. Maar wat is een stam als niet naar boven dragende takken komen. En wat zijn die dragende takken als die zich niet ontvouwen in een immens overkoepelend bladerengewelf. Zonneboom, een heleboel onder u hebben dit kunnen ervaren, rondom die stam kunnen we ons scharen. De Zonneboom maakt mogelijk dat we met een schare mensen, zoveel als er hier ook zijn, maar u hoort het van Bert de Graaff, hoeveel meer er nog zijn die zich onder dit bladerengewelf, rondom die sterke stam een tijd lang, voor sommigen kort, voor anderen langer, hebben kunnen scharen.

Dus ik ging aan de slag met zin en zen van de Zonneboom en er kwam de gedachte, zo beetje een vraag die ik ook aan mezelf stelde: indien Ger mij had gebeld en gezegd: zou je iets kunnen komen vertellen over de zin van de Zonneboom, dan zou ik wellicht even sprakeloos zijn geweest, als toen ze zei: zin en zen van de Zonneboom. Maar kijk, maakt een dag als vandaag de zin van de Zonneboom niet duidelijk, is die niet zichtbaar: de zin van de Zonneboom. En wat kunnen woorden daar nog aan toevoegen? Nee, de zin van de Zonneboom, ik weet niet waartoe wat aanleiding had kunnen geven.

Zin en zen waren een uitdaging. Af en toe kwamen ze bij mij ook binnen en ze kwamen binnen als een heel bijzonder geheim. Even moest ik kunnen vergeten dat ze zo goed bij elkaar horen, als een soort tweeling: zin en zen. Maar het is niet een tweeling in de gebruikelijke zin van het woord. Er kwam een moment dat ik het kon noemen: een tweespan. U weet wat een tweespan is: een tweespan zijn twee paarden en dat bracht me dan weer op het beeld, ik denk dat het bij de meesten van u bekend is, het beeld dat Plato gebruikte bij de parabel van de wagenmenner: een wagen die getrokken wordt door twee paarden, een tweespan dus, maar met deze eigenschap dat ieder van die paarden elk voor zich zijn eigen richting koos. U kunt zich daar allerlei bij voorstellen. Het maakt meteen duidelijk waarom een wagenmenner nodig is indien men niet in de kortste keren die wagen ergens aan de kant van de weg voorgoed ziet komen stil te staan.

Dus zin en zen beleefde ik als een tweespan, maar een tweespan dat in spanningsverhouding tot elkaar staat, niet een tweespan dat zomaar vanzelfsprekend met elkaar in een stuk samenwerking komt.

Hier wil ik ieder van deze paarden, zal ik maar even zeggen, er is hier ook al gesproken van getrokken en geduwd, van nabij bekijken.

Eerst zin. Ik weet niet hoe u dat vergaat, maar als ik heel vaak te horen en vooral te lezen krijg: de zingeving, of een zin vinden of de zinvolheid van enzovoort, dan sluipt bij mij iets binnen in mijn ervaring, in mijn beleving, als van een soort beladenheid. Er is iets met zin, wat daar mee samenhangt dat een soort beklemming zou kunnen veroorzaken, iets van druk. Nu zin en zingeving zijn hoogst zinnig en zinvol, dat staat buiten iedere twijfel. Maar als we dat eens naderbij bekijken dan kan je je ook voorstellen dat zin, daar wordt naar gezocht. Er is heel vaak met zin verbonden dat mensen daar naar op zoek zijn of daar naar op zoek gaan. Zin en zoeken, en het is niet om de letter Z dat ik dit zo stel, maar zin en zoeken gaan ook heel vaak samen. En als je daar weer een beeld bij tevoorschijn wilt halen, dan zal zo’n mogelijk beeld zijn dat je voortdurend in een soort spanning, zeg maar je boog gespannen houdt en op een doel in de verte zelf hebt bepaald: daar moet ik komen, daar moet ik terecht komen, de zin van mijn leven hangt daar mee samen en dat vind ik er terug.

Dezelfde voorbije zomer was mijn kleinzoon, een van de velen die zich voor de duur van de zomer gelukkig helemaal met Robin Hood had geïdentificeerd. En een broer van mij had op een zomerse dag voor hem een boog gesneden uit een wilgentak en die boog werkte! En diezelfde dag zou ik met die kleinzoon met boog en pijl uiteraard, terug naar Antwerpen reizen en liefst per trein. Toen dacht ik: ja, als we op de trein stappen, dan zullen die boog toch maar even in het bagagerekje daarboven leggen. En dat was zonder Robin Hood gerekend, natuurlijk, want Robin Hood laat juist nooit zijn boog los. Gelukkig was hij nog niet zo vaardig in het schieten, maar die boog bleef de hele tijd gespannen staan, van de plek waar we vertrokken zijn tot de plek van aankomst. Een stukje speelgoed of dit element van niet uit handen willen geven speelt soms daarin door wanneer naar zingeving of zinvolheid op zoek wordt gegaan. En wanneer ik zal zeggen: kijk, de Zonneboom is deze plek waar we ons met elkaar rondom of binnenin scharen zodat naar zin kan worden gezocht, dan doe ik eigenlijk geen recht aan de Zonneboom. Uiteraard wordt in de Zonneboom ook naar zin gezocht en worden mogelijkheden ter beschikking gesteld en wordt ruimte vrijgemaakt opdat naar zin zal worden gezocht, maar er is meer dan dat. En wat meer dat moeten we misschien eens even zo proberen te ontdekken door nu ook eens even naar dat tweede paard om te zien. Het ene paard zin en het andere paard zen. Niet toevallig heb ik het voorbeeld van het boogschieten genomen.

Voor velen onder ons, om te beginnen, zal zen bekend zijn omdat het een stroming is met een hele sterke en diepe culturele en religieuze achtergrond die stamt uit het boeddhisme, zoals jullie weten. Zen heeft vanaf een bepaald ogenblik in de 20ste eeuw en met name vooral na de 2de wereldoorlog zich ook verspreid in de westerse wereld. En er zijn mensen uit het westen die zen zijn gaan beoefenen, waarvan er minstens twee zijn die zen zijn gaan beoefenen bij wijze van boogschieten. Er is een beroemd geschrift geweest: Zen en de kunst van het boogschieten door Eugen Herrigel. En daarin beschrijft hij, hij is een geoefend boogschutter, dat hij komt bij de zenmeester en zal beginnen aan zijn eerste oefensessies. En er wordt een doel klaar gemaakt, boog en pijlen, daar beschikt hij over, er wordt een enorme schoof met stro en hooi klaar gezet. Hij is een beetje verbaasd, want dat wordt eigenlijk vlak bij hem neergezet, en dan wordt daarop het doel bevestigd met de roos in het midden en dan vraagt de zesmeester, zijn leermeester, of hij nu wil proberen het doel te raken en is hij hoogst verontwaardigd, want het is op nog geen twee meter afstand van waar hij staat en zegt: hoe kunt u mij zoiets vragen, ik ben een volleerd boogschutter, ik zal met mijn ogen dicht op iets op een veel grotere afstand richten en dit is op nog geen twee meter afstand. Wat vraagt u van mij. En dan komt het antwoord en het begin van zijn zenweg is deze: hij moet zich ontdoen van dat wat hij kan, hij moet zich vooral ontdoen van dat wat hij heel goed kan. Hij moet zijn pijl blijven richten, maar hij moet niet meer op voorhand weten hoe hij het doel zal bereiken. Hij moet, met andere woorden, zich onthechten van zijn doelgerichtheid en van zijn vooraf gegeven zekerheid dat hij in alle omstandigheden het doel zal kunnen bereiken, vermits hij over voldoende ervaring en techniek beschikt. Daar heeft hij jaren over gedaan, om het doel toch te kunnen treffen en tezelfdertijd alles wat hij kon terzijde te laten.

Dat is misschien met een voorbeeld nog het duidelijkst wat zen is.

En wanneer zin in het teken staat van zoeken, dan staat zen in het teken van vinden. En ik herinnerde mij woorden van de Zonneboom, waar we met een aantal van u misschien nog aan gewerkt hebben, woorden van Picasso. Een kleine getuigenis, een kleine tekst die zo begint dat hij zegt: Ik zoek niet, ik vind.

Ik weet nog dat we toen tegen elkaar zo zeiden, ja, hij heeft makkelijk spreken. Maar de oefening is juist, dat ieder van ons ook die vrije houding zal kunnen gaan ontwikkelen waar je niet langer meer zoekt – dat is dat gehecht zijn aan iets wat je op voorhand weet waar je terecht kunt komen -, maar dat we ook durven, zonder te zoeken, te vinden.

En dat brengt me op het spoor van het eigene, ik durf ook te zeggen het unieke, van de Zonneboom. Dat tweespan, dat we nu net genoemd hebben, zin en het zoeken naar zin en zen, het vinden van dat wat je niet zoekt, dit tweespan zo te hanteren, dat ze gaan samenspannen, dat dit een samenspan wordt.

Ik ga zo meteen nog proberen om daar nog iets van te verduidelijken hoe dit samenspannen tussen dit tweespan mogelijk is. Op voorwaarde dat je de spanning tussen de beide uithoudt, het is niet het opheffen van de spanning, het samenspannen, het is het uithouden van de spanning die mogelijk maakt dat ze gaan samenspannen.

Op dat punt komende: misschien is zo een manier om de Zonneboom voor te stellen: hier wordt samengespannen. Het is geen afspanning, het is een samenspannen, wat beoefend wordt.

En als we nu kijken: waar komt dit tot uitdrukking in de Zonneboom, in wat in de inleidende woorden van Bert de Graaff genoemd is: door de kunst en de kunstzinnige impuls die alles doortrekt wat het ook moge zijn wat in het kader van de Zonneboom gebeurt. Want wat is precies kunst?

Ik heb ook dat interview gelezen van Ger met John Hogervorst en Ger geeft aan dat bijvoorbeeld in het uithouden van de spanning tussen ik moet een zin vinden voor en nee, het gaat niet om iets wat ik bepaal het moet mij tegemoet kunnen komen. Wat Ger aangeeft hoe belangrijk het is dat je dan iets ontdekt wat in dat soms, je zou kunnen zeggen nadrukkelijk zoeken naar zingeving je dreigt te ontsnappen, het wordt ontdekt wat het procesmatige wordt genoemd. En wat is dat procesmatige en wat is deze ontdekking? Ger geeft ook aan: het procesmatige ontdekken en daarin binnenstappen is loslaten wat je al in je hoofd had van tevoren. Je laat het los en in dat loslaten ontstaat een soort ruimte. Een ruimte in jezelf om te beginnen, maar ook een ruimte tussen mensen die op dat ogenblik samen zijn. En ik ga met hetzelfde citaat als Bert er ook heeft uitgelicht uit het interview met Ger. Dat trof mij als een heel juiste karakterisering van wat in de loop van het procesmatige bij de Zonneboom kan gebeuren: je komt iets tegen, zegt Ger, wie weet ben je het zelf, maar ze voegt er ook aan toe: wat je niet op je gebruikelijke manier naar je hand kan zetten. En die Robin Hood, die nog steeds dat doel daar wil treffen, wil nog steeds de dingen naar zijn hand zetten bij wijze van spreken.

In het procesmatige binnenduiken, de zenkant van de Zonneboom ook toelaten brengt met zich mee dat je iets tegenkomt dat je niet op de gebruikelijke manier naar je hand kunt zetten. Het is misschien verrassend, dat je dat zelf dan bent en een zelf dat je niet op de gebruikelijke manier naar je hand zal kunnen zetten.

Bij veel gelegenheden, en met een aantal van u hebben we daar ook heel hard aan gewerkt aan die vraag: wie is dat zelf, dat ik dan in dat procesmatige tegenkom. En ook daar is een stukje tweespan. Het is niet een zelf, dat weten we uit ervaring, uit vaak uit bittere ervaring, dat uit een stuk gegoten is. Het meest algemene dat we erover kunnen zeggen is dat het een zelf is dat een kant heeft die geworden is en dat is vaak de eerste die je tegenkomt. Maar het is ook een zelf dat nog in wording is en vooral dat wil worden. Het zijn beide aspecten van het zelf dat je dan tegenkomt en vermits je die beide tegenkomt is het niet mogelijk om die naar je hand te zetten op de gebruikelijke manier. Als het goed zit kom je deze beide tegen en ook dit, het gewordene zelf en het zelf dat in wording is en het zelf dat wil worden, dat is een spanningsverhouding tussen die twee, zoals de spanningsverhouding is tussen zin en zen.

Opnieuw het in die spanningsverhouding kunnen uithouden, daarin kunnen doordragen is om te beginnen iets wat verwant is aan het kunstzinnige proces. En aan de andere kant is het datgene wat mogelijk maakt dat er een soort tussenruimte kan ontstaan in jezelf en een tussenruimte ook tussen jezelf, met die tussenruimte in jou en die tussenruimte met betrekking tot alles wat je omringt. En als ik dat ook even zo zou durven en mogen stellen: dat is voor mij een van de geheimen van de Zonneboom: het op het spoor komen van die tussenruimte, het weet hebben van die tussenruimte, zonder getheoretiseer noodzakelijkerwijs. Eigenlijk met een minimum aan theorie, maar een maximum aan de werkingsmogelijkheden. Zodat die tussenruimte, dat hebben we kunnen vaststellen, ervaarbaar wordt. Nog voor ze benoemd wordt, wordt ze ervaarbaar, wordt ervaarbaar dat ze werkt.

Dit is een van de sterke elementen die voor mij de Zonneboom mogelijk heeft gemaakt. Voor zoveel mensen, waarvan ik uitga als je zegt tot 2000 cursisten, maar ieder van die 2000 cursisten had nog helemaal niets rondom zich en wanneer bij één iemand die tussenruimte in werking kan beginnen te treden is dat niet iets wat beperkt blijft tot die ene persoon die die ontdekking heeft gedaan van die tussenruimte in zichzelf tussen het gewordene en dat wat wil worden, maar dat is iets wat zich verder uitbreidt tot al wie ermee in aanraking komt.

Dus het je kunnen bewegen en bewegelijk blijven in die tussenruimte, tussen het gewordene en het wordende, wat voor mij heel sterk met het kunstzinnig proces samenhangt is een van die eerste geheimen van de Zonneboom.

In datzelfde interview vraagt John ook aan Ger: waar komt jouw fascinatie vandaan? Want het is inderdaad zo dat Joseph Beuys – dat hebben we samen ook een keer kunnen meemaken – altijd een grote bron van inspiratie is geweest voor het werk in de Zonneboom. En wat antwoordt Ger – ik kan alleen maar het interview aanbevelen, zodat u het zelf kunt lezen, maar alvast dit – Ger antwoordt en zegt: op mijn 42ste levensjaar ben ik begonnen mij voor kunst te interesseren en wel zo, dat je een kunstzinnige opleiding bent gaan volgen terwijl je hele voorgaande opleiding en je beroepsmatig bezig zijn helemaal niet in het teken stond van kunst.

42 jaar, voor wie de biografiecursus heeft gevolgd die weet waarover het gaat: dat is het interval bij uitstek in de menselijke biografie. En juist in dat intervalmoment komt die inspiratie bij Ger binnen waar iets van dat procesmatige, zoals je dat zelf hebt verwoord kan worden ontdekt en in werking gesteld. En daar doet Ger een uitspraak waarover ik mij ook heb bezonnen omdat ik denk dat ze ons brengt naar een volgend geheim. Want zegt Ger: Het gaat erom je vaardigheden – je vaardigheden, dat is jouw geworden zelf – (vaardigheden waarover we beschikken hebben altijd te maken met het verleden; dat is een van de lessen die we leren: je hebt het verworven, dus het is geworden) en Ger zegt het zo: je vaardigheden zo inzetten, dat ze in dienst kunnen staan van datgene wat wordend in jou wil zijn of wil worden of ook de vaardigheden die je al verworven hebt anders gaan inzetten.

En op dit moment wil ik eigenlijk Ger zowel als Jan noemen als en soort pioniers en wat mij betreft als een soort grondleggers van iets wat ik toch een wetenschap wil noemen. We hebben daarnet ook gehoord dat wetenschap kunst kan worden en omgekeerd ook: een soort wetenschap van de toekomst, waarbij je een kennis opbouwt hoe je het gewordene, je vaardigheden, in je leven nieuw en anders kan inzetten in dienst van het wordende. En dan zou je kunnen zeggen: hier uit zich opnieuw de zen en de zin. Nieuw inzetten, dat is precies wat van die Eugen Herrigel werd gevraagd toen hij bij de zenmeester was. Hij kon boogschieten, en hij moest die vaardigheid nieuw leren inzetten. Een ongelooflijk moeilijk en confronterend proces, waar hij uiteraard zichzelf voortdurend tegenkwam, maar daar ontstaat nu een nieuwe zin en nieuwe zingeving. Het is een zingeving die gericht is op een toekomst die nog niet op voorhand bepaald is, want het gaat om het wordende. Je zou kunnen zeggen op dat eigenste moment waarop dat tweespan, zin en zen, inderdaad kunnen gaan samenspannen.

Nu, het kunstzinnige proces, dat zo’n grote rol speelt in de Zonneboom, ik durf het haast niet te zeggen, het lijkt haast een tegenspraak, heeft toch een product. Vaak zijn we daarmee zo aan de slag gegaan dat we een onderscheid hebben gemaakt: wat is proces en wat is product. Een product is makkelijk te duiden maar een proces is heel wat moeilijker om daar vat op te krijgen, om daar zicht op te krijgen, omdat een proces zich niet aandient op de wijze waarop een product zich aandient. Het kunstzinnige proces speelt een ongelooflijke centrale rol in datgene wat in de Zonneboom gebeurt.

En dat product noem ik nu, en ik kan het op vele manieren noemen, maar ik denk dat ik het vandaag, voor het jubileum zo zou willen noemen: het product is een kapitaal aan vertrouwen. Wat door deze soort wetenschap en de wetenschap van het interval, van de tussenruimte tussen het gewordene en het wordende wordt voortgebracht, wordt geproduceerd, is niets meer en niets minder dan vertrouwen, een kapitaal van vertrouwen wordt hier gegrondvest.

We hebben iets gehoord over de economische crisis 25 jaar geleden, de economische crisis nu en als een soort tegenbeweging, als een soort tegenwicht – want de jaren van de Zonneboom spannen zich tussen twee crises die zich op het vlak van de wereldeconomie afspelen en afgespeeld hebben – zien we hoe hier op een heel andere manier aan iets wordt gebouwd dat ik net zo goed kapitaal durf te noemen als wanneer het om het financiële gaat. Het is vertrouwenskapitaal. Waar komt dat vertrouwenskapitaal uit tevoorschijn? Kijk, door in jezelf op het spoor te komen van dat wat geworden is en dat wat wordend is of wordend wil worden ga je een nieuwe soort verhouding aan met jezelf en datgene wat om je heen is, laat ons dat maar even heel vaag de gemeenschap noemen, de ander, de andere mensen; je gaat op een nieuwe manier met elkaar om.

Het is heel vreemd en we hebben daar vaker ook bij stil gestaan: hoe kan ik nu vertrouwen hebben als ik niet weet of ik wel ergens terecht kom? En juist doordat je niet weet en toch de stappen zet groeit vertrouwen, ontstaat vertrouwen en neemt toe. Dus vertrouwen stelt geen voorwaarden. Vertrouwen, zou je kunnen zeggen, ontstaat helemaal in de spanning tussen zin en zen. Vraagt niets, niet om een garantie vooraf, vraagt alleen of je je in dat spanningsveld durft te gaan opstellen en dat, je zou kunnen zeggen, dat wat bij je leven hoort, dat je dat durft in te bedden in een proces dat uiteindelijk een kunstzinnig proces is, zoals iedere biografie een kunstwerk wordt in de loop van het leven. En dan heb je die hele bijzondere wisselwerking. Iemand die aan vertrouwen wint, wint nooit aan vertrouwen dat alleen voor zichzelf geldt. Je kan niet alleen maar zelf vertrouwen winnen. Vaak hoor je mensen zeggen: ik heb geen zelfvertrouwen. Zelfvertrouwen is vertrouwen in de ander, dat zich nog niet heeft kunnen ontwikkelen. Er is niet zoiets als zelfvertrouwen alleen maar. Ieder zelfvertrouwen wekt ook de krachten van het vertrouwen in de gemeenschap. En waar de krachten van het vertrouwen in de gemeenschap worden gewekt keren die als het ware terug naar de enkeling, naar het individu en sterken het zelfvertrouwen, een wonderlijke wisselwerking tussen groeiend vertrouwen in mezelf, waardoor ook in de gemeenschap, dat wil zeggen in de mensen in mijn onmiddellijke omgeving ook de vertrouwenskrachten worden gewekt. Doordat daar die vertrouwenskrachten worden gewekt stralen ze als het ware terug naar mij toe en wordt ook mijn beginnend vertrouwen verder ontwikkeld, kan verder groeien.

Als ik voor mezelf, ook met betrekking tot vandaag de vraag stelde: wat heeft mij het diepste getroffen in die enkele jaren – want uiteindelijk zijn het maar een beperkt aantal jaren geweest dat ik hier in de Zonneboom een bijdrage heb kunnen geven – wat heeft mij het diepste geraakt, wat is precies die wisselwerking die dat vertrouwen als een soort kapitaal tussen mensen en in ieder van deze mensen die door de Zonneboom heen zijn gegaan heeft gewekt en doen groeien en toenemen.

Het bijzondere bij dit soort vertrouwen als we het als een kapitaal beschouwen is nu net dit: hoe meer je ervan deelt, haast moet ik zeggen hoe meer je het uitgeeft, daar komt het op aan, hoe meer kapitaal toeneemt. Een wet die haast haaks staat op de meest gezond verstand benadering van wat een budget zou kunnen zijn: hoe meer je uitgeeft, hoe minder er nog in je kapitaal is, is hier eigenlijk de regel: hoe meer je ervan weggeeft, hoe meer het toeneemt als kapitaal.

En het is, als ik dan een jubelkreet, ik zal het niet doen, zou willen laten horen dan om dit kapitaal. Dat kapitaal dat niet meer weg te krijgen is. Dat kapitaal dat, wat er ook met de Zonneboom moge gebeuren als plek, als huis, en dan wens ik graag dat dat daar moge verder gaan, maar wat er ook moge gebeuren, dit kapitaal neemt verder toe, doorheen alle mensen die hier ooit zijn geweest en op plaatsen en daar waar wij er niet langer zicht op hebben en waar wij niet langer meer een inschatting van kunnen maken: dit houdt niet meer op. En dit is het tweede geheim van de Zonneboom, dat uiteraard samenhangt met wat ik als het eerste geheim, het geheim van het bestaan en de ontdekking van die tussenruimte, die tussenruimte in jezelf, en die tussenruimte die kan gaan werken tussen mensen onderling en die als een soort droom van waaruit het vertrouwen in mij maar ook in de ander en in de wisselwerking kan groeien en gedijen, waardoor dat kapitaal aan vertrouwen, dat vertrouwenskapitaal is ontstaan, onder de welvende kruin van de Zonneboom en wat een bijdrage is, niet alleen voor ieder van ons, maar naar de toekomst toe van de hele wereld. Dit is niet meer uit de wereld weg te halen. Het is en wordt en gaat verder door.

Alleen al daarom: dank je wel, Ger, dank je wel, Jan. Dit te beseffen, naast het besef wat jullie allemaal hebben geïnvesteerd om dit mogelijk te maken, ook aan reëel kapitaal, aan financierkapitaal, welke offers, welke onthechting er van jullie kant is geleverd, maar kijkend wat er tegenover staat, het vertrouwenskapitaal dat tussen mensen mogelijk wordt, is een dermate geschenk aan ons allemaal en aan de hele mensheid, en ik kan alleen maar wensen en zeggen, haast jullie zalig prijzen in de zin van feliciteren en hopen dat het jullie in dezelfde mate moge terugvloeien. Dank je wel.