Omar Khayyam

-‘Ken je Omar Khayyam? ‘

 Ken je Omar Khayyam?

Het is een leraar die me deze vraag stelt, nadat ik midden op straat met zijn leerlingen in gesprek ben geraakt.

We zijn niet in Iran, maar in Casablanca en de leraar is met een klas architectuur studenten  uit Iran op studiereis in Marokko.

Ken ik Omar Khayyam? Wie is Omar Khayyam? Wetenschapper en filosoof? Mathematicus en astronoom? Agnosticus? Hedonist? Al Hakim, de wijze, de  sufi, de ‘pir’? De dichter van de Ruba’yyat, vierregelige strofen, die de zin van het bestaan ononderbroken in vraag stellen?  Om er iedere mogelijke zingeving weer onder uit te halen? Of is hij dit alles in één?

Hij werd geboren in een woelige tijd, die niettemin op gebied van wetenschap en kunst een verrassende bloei met zich zal meebrengen. Een tijd vol intellectuele uitdagingen, waarin het griekse erfgoed de aanzet vormt voor stoutmoedige ontdekkingsreizen in de wereld van de mathematica en de astronomie. Op het ogenblik dat hij te Nishapur geboren wordt in het midden van de 11e eeuw, hebben Turkmeense stammen, de Seldjoeken,  grote delen van  Noord Oost Iran al veroverd. Tussen 1038 en 1194 is de Seldjoekische dynastie aan de macht. Malik-Shah (1072-1092) is de grootste, de invloedrijkste onder hen. Het lot zal hem met Omar Khayyam in aanraking brengen, en Omar Khayyam zal op beslissende omslagpunten in zijn leven Nizam al-Mulk, de grootvizier van Malik Shah  ontmoeten. Het is een diepe band, deze tussen Khayyam en Nizam al-Mulk en een derde zal deze band komen vervoegen : het is Hassan e-Sabbah, die later de radicale sekte van de Assassinen zal stichten. Nizam al-Mulk is de grondlegger van de islmitische Universiteit, waarin naast theologie en geesteswetenschap, ook geneeskunde en natuurwetenschap wordt onderwezen. De zo kenmerkende architectuur van de iraanse moskee, waarbij vier  ‘Eiwans’ of booghallen ieder  op een gemeenschappelijke  binnenhof uitgeven, zou teruggaan op het 4 ledige concept van Nizam’s universitair programma. Voor ieder van deze 4 vakgebieden was immers een aparte onderwijshal zijn voorzien.

Khayyam betekent : tentenmaker, een beroep dat zijn vader Ibrahim klaarblijkelijk uitoefende. Ondanks de bescheiden leefomstandigheden van de familie, kon het kind bij de beste leraren onderricht krijgen. Zijn leergierigheid kent geen grenzen. Weldra kan hij zelf onderricht geven en hij is in alle vakgebieden beslagen : een éénmans universiteit, zoals zijn tijdgenoten hem karakteriseren.

Deze tijdgenoten op hun beurt behoren tot de groten in het iraanse geestesleven. Firdowsi, de dichter van het Shah-Name, het Boek der Koningen  en diegene die de Iraanse taal tot nieuw leven heeft gewekt sterft in 1026. nauwelijks 11 jaar later sterft Ibn Sina, Avicenna, wiens handboek der Geneeskunde  in Europa tot laat in de 17e eeuw zal worden gebruikt. Onder de Seldjoeken zullen miniatuurkunst en architectuur een zeldame bloei kennen. Het literaire genie van een Nizami zal er zijn onsterfelijke liefdesverhalen dichten.  In de oinmiddellijke omgeving van Khayyam is er de dichter Sana’i en de theoloog en filosoof Ghazzali, wiens invloed zich over de hele wereld van de Islam zal laten gelden. Maar geen is er die de veelzijdigheid, de intellectuele nieuwsgierigheid, het onvermoeibare zoeken van Khayyam ook maar in de buurt komt. Aan zijn kwatrijnen valt af te lezen hoe Khayyam’s geest zich telkens weer  bevrijdt uit de beknelling van het al te zekere weten : een nomadisch denker, wendbaar en open voor verre horizonten en die toch een duidelijk spoor trekt in zijn onvermoeibare zoektocht naar het hoogste- om dan te weigeren het zich toe te eigenen! Het niet-weten van Khayyam dat een hogere vorm van weten is . Het kan niet anders  dan dat een dergelijke innerlijke vrijheid voor opspraak zorgt. Tijdens zijn lange leven,wanneer de pendelslag van het culturel klimaat weer de richting van de strenge orthodoxie uitslaat, zullen er telkens weer opstaan die proberen aan te tonen hoezeer Khayyam van het rechte pad is afgedwaald. In 1092 is Nizam al-Molk verraderlijk vermoord. De hand van Hassan e Sabbah, ooit een vriend, is in het spel en het motief is rrigoureus- religieus, eerder dan politiek. Ook Nizam is iemand die innerlijk vrij is geworden. Khayyam had voor d emoord  met hem in Isfahan nog enkele tijd doorgebracht, in de periode waarin Nizam als bouwheer de Vrijdagsmoskee opdrachten, waaronder een onvergelijkelijk volmaakte koepel, liet uitvoeren.

‘Ik wilde dat ik een vriend had, die aan mijn zijde blijft, ook wanneer anderen me in de steek laten’, zo Khayyam. Naast zijn lesopdrachten en het schrijven –vaak naar aanleiding van een vraag- van zijn wetenschappelijk-filosofische verhandelingen, zijn er de talloze vierregelige strofen, warvan het moeilijk blijft, de authentieke van de niet-authentieke te scheiden. De vluchtigheid van het bestaan, de broosheid van een mensenleven, de kortstondigheid van het geluk, de nutteloosheid van het vragen : all deze innerlijke gewaarwordingen, in een eindeloos geschakeerd spectrum van de ziel. Het bewustzijn is een stroom in de stroom van de tijd. Wie kan deze doen stoppen? Wie roept deze een halt toe? Maar precies dit doet Khayyam in elke van zijn strofen. Een ondeelbaar ogenblik houdt hij de stroom van de tijd in : en wat op dat ogenblik doorheen zijn ziel speelt, laat hij door zijn woorden oplichten. Als schiep hij in de rivier van de tijd een doorwaadbare plek.  Dit is het moment van het nu, het moment waarop ‘de ziel even van het lichaam bevrijd is’ ! Dit en geen ander is het ogenblik waarin je  de beker met wijn aan de lippen brengt, om het moment van nu te huldigen. Om langs de doorwaadbare plek aan de overkant te komen, waar het ware feest van het zijn begint. Gezegend zij dit ogenblik  waarin de tijd doorwaadbaar wordt en waarin de wijn ons verzoent met het verder stromen van de levensloop! ‘Drink de wijn, want de tijd is een verraderlijke vriend!’en

`Aan het gisteren dat voorbij is, denk niet

aan het morgen dat nog niet is, denk niet

om dat wat was en wat nog komen moet, zucht niet

verheug je en je levenstijd, verspil niet’

Khayyam zal zich bedienen van alle klassieke metaforen die de perzische dichtkunst hem op dat ogenblik ter beschikking stelt. De nachtegaal en de roos voor de onvervulde liefde, de pottenbakkersklei uit het zand van de tot stof vergane lichamen en het pottenbakkerswiel als het rad van fortuin. Het aanbreken van de dageraad als het moment waarop het dagbewustzijn weer intreedt, na de mystieke versmelting van de nacht en ook de roes van de wijn, die troost brengt en zoete vergetelheid. Maar waar het hem in werkelijkheid om te doen is, is het stilhouden in de tijd, zodat er iets oplichten kan, op de manier waarop er een fractie van een seconde lang, een lichtstraal in een scherf teruggekaatst wordt.

Dat Khayyam’s dichten ondergedompled is in de tinctuur van de lichte ironie en zelfspot, heeft hem in het westen het aura van een soort ‘Voltaire’ bezorgd, van een schaamteloze levensgenieter en spotter met alles wat heilig is. Niets is minder waar! Nochtans, in het Victoriaanse engeland, mede dank zij de beroemde vertaling van Khayyam’s kwatrijnen door Edward FitrzGerald is er een soort Khayyam-gekte ontstaan. Voor zijn wetenschappelijke traktaten, en voor zijn filosofisch-theologische bespiegelingen  was ern niet de geringste belangstelling. Des te meer voor een Khayyam die teleurgesteld door de beperkingen van het bestaan en de bekrompenheid van zijn samenleving zich overgeeft aan zelfkwelling en  melancholie.

-Ken je Omar Khayyam?

De leraar vult het met duidelijke binnenpretjes in mijn plaats al in.

-‘ Sharab!Wijn ! Dronkenschap!’ en maakt daarbij het gebaar van iemand die een glas heft en het vervolgens in één teug leegdrinkt.

Khayyam gereduceerd tot een drinkebroer?

-‘En wat dan met zijn traktaat over de postulaten van Eucklides? Protesteer ik en tot mijn verbazing merk ik dat ik me behoorlijk aan het opwinden ben.

Een totaal  verblufte leraar kijkt me nu aan. Blijkbaar had hij een ander soort reactie verwacht. Maar reeds gaat hij verder.

-Bye, bye! Roepen enkele van zijn studenten me nog toe.Het is hun beurt om binnenpretjes te hebben nu.

-Choda Hafez! Antwoord ik.

 

Ken ik Omar Khayyam?

In het Nationaal Museum van Iran, in de afdeling voor islamitische kunst, is er in een van de vitrines een onschjnbare kleine olielamp, niet veel groter dan een handpalm, die om een onverklaarbare reden mijn aandacht trok. In geglazuurd aardewerk van een eerder onaantrekkelijke okerbruine kleur en enkel met wat losse stippen versierd.  Nishapur, 11e eeuw is het enige wat op het kastje te lezen staat. Het is het soort van olielampjes dat in een kleine nis in de muur moet hebben gestaan. Misschien een nis in een studeervertrek, waar het lezen en het schrijven van teksten niet aan een tafel gebeurde, maar zittend op een tapijt, met het boekfoliant op een kleine staander of ook opengeslagen op hetzelfde tapijt.. De nis bevond zich dan ter hoogte van het hoofd, nauwelijks een meter boven de begane grond.

 

Ken ik Omar Khayyam?

Een van zijn leerlingen, Nizami ‘Arudi Samarqandi zal, zoals hij het zelf beschrijft, in het jaar 1139  in Nishapur het graf van zijn meester gaan bezoeken. Als hij op de begraafplaats van Hayrah het graf van Khayyam vindt, ziet hij hoe de tombe overdekt is met bladeren van de bloesems van een perelaar en een perzikboom. Dit roept in hem de herinnering naar boven van een gesprek dat hij in de stad Balkh tussen Khayyam en Imam Muzaffar Isfizari had opgevangen. Hij hoorde hoe Khayyam voorspelde dat hij begraven zou liggen op een plaats waar iedere lente weer de noorderwind zijn tombe met bloesems zou bedekken. Deze voorspelling bleek bewaarheid te zijn.

‘En ik weende’ zo besluit Samarqandi zijn relaas, ‘want in de vier hoeken der wereld is er niemand te vinden die was zoals hij’.

Nishapur zag ik enkel vanuit de lucht, toen ik naar Mashad onderweg was. Dat de boekenstalletjes zelfs dicht in de buurt van het heiligdom ook exemplaren van Khayyam’s Ruba’yyat in alle prijskategorieën verkochten , kon dit niet goed maken.

‘Volgende keer, bar-e digé,’ besluit ik.

En af en toe ben ik eens te Parijs, en neem dan de gelegenheid om in het Institut du Monde Arabe, waar in de leeszaal van de bibliotheek ook een uitgave is van Khayyam’s filosofische en wetenschappelijke traktaten, zijn stem te vernemen.

‘ Altijd al had ik een onlesbare dorst naar onderzoek en naar de kennis van mogelijke en niet-mogelijke bewijzen’, zo schrijft hij in de inleiding van zijn geschrift over de Algebra.

Maar we leven in een tijd die het de wetenschappers duizendvoudig moeilijk maakt om hun onerzoek te doen en om hun kennis verder te actualiseren en de fundamenten ervan te verstevigen.

De pseudo-wetenschappers van onze tijd stellen de waarheid voor als een vervalsing en gaan niet verder dan de bewering dat ze de kennis in pacht hebben’

Terwijl de tijd verstrijkt en  de positie van de zon verschuift, verspringen ook de metalen vensterversieringen die tegen het glas zijn aangebracht, een vernuftige mechaniek die met lichtsensoren is uitgerust. Zo ontstaat tegen het raam uit een zeshoek een zevenster en dan weer een vijfhoek om naar een cirkel terug te keren,

Ik ben er zeker van dat Omar Khayyam daarvan zou gehouden hebben.

 

Christine Gruwez

Uittreksel uit ‘God is een kleur’, Via Libra