Mani was een schilder!

Wanneer men zich langs de grens tussen Iran en Irak van noord naar zuid beweegt, ononderbroken begeleid door de vlammende tinten van violet en oranje van het Zagrosgebergte, komt men uiteindelijk op de plaats waar het gebergte abrupt in de laagvlakte overgaat die zich tot aan de Perzische Golf uitstrekt. Dezful, een kleine, nietszeggende stad, die de wissel in het landschap markeert, ligt niet ver van de plaats waar zich vroeger een belangrijke residentiestad van de Sassanidische vorsten bevond: Gondischapur, wat ‘lustoord van Schapur’ betekent. Schapur I (ongeveer 241-272) was de grondlegger van de laatste grote heersersdynastie voor de opkomst van de islam. Hij koesterde een persoonlijke interesse voor de leer van Mani en dit was ook de reden waarom de koning der koningen Mani toestemming gaf om in het grote Perzische rijk te prediken.

Yadhollah, die mij op deze reis begeleidde, kon niet begrij- pen waarom ik erop aandrong om kort door Dezful te rijden. Omdat hij zichzelf uitdrukkelijk als kunstenaar beschreef, probeerde ik dit ommetje voor hem aantrekkelijk te maken door te zeggen dat Mani een kunstenaar was. “Maar er is in Dezful niets te zien,” wierp hij hardnekkig tegen. Nadat we door het plaatsje waren gereden vroeg hij mij, niet zonder een snuifje ironie, of ik nu “gezien” had waarnaar ik had uit- gekeken. “Op deze plaats werd Mani gedood,” sprak ik even vasthoudend uit. In de duizenden jaren geschiedenis van Iran, waarin steeds weer vrijdenkers en rebellen tegen het centrale gezag in opstand kwamen, is dit vast en zeker nauwelijks iets spectaculairs.

Twee dagen voordien waren we in een tamelijk goed ingerichte academische boekhandel in de universiteitswijk van Teheran, waar ik vroegnaar publicaties over Mani, alsook over Mani als schilder. Hier bleek in de handboeken over kunstgeschiedenis dat Mani als stichter van de Iraanse miniatuurschilderkunst beschouwd wordt. Ik snuffelde ook in de boekenrekken van de in het Farsi vertaalde buitenlandse literatuur. Naast DeKleine Prins van Saint-Exupéry, een blijvende bestseller in Iran, vond ik een boek van de Frans-Libanese schrijver Amin Maalouf over het leven van Mani. Na wat zoeken ontdekte ik ook een publicatie uit een reeks van het Research Institute for Islamic Culture and Art in Teheran, dat enkele teksten uit de Middelperzische geschriften van Mani uitgegeven had en van kritiek en commentaren voorzien had: Neveshteha-ye Mani va Maniyan – Schriften van Mani en de manicheërs.

Het feit dat de Iranese geschiedschrijvers van de twaalfde eeuw Mani als sektestichter in hun optekeningen opnamen, raakte bij de meeste Iraniërs door de pracht van zijn kunste- naarschap volledig op de achtergrond. In hun opzicht is en blijft Mani de schilder wiens kunst zo’n perfectie vertoont dat hij in het Boek der Koningen en in de klassieke literatuur erom geprezen wordt.

Maar Mani (216-276/277) is ook een profeet en een ver- nieuwer, die ongeveer 240 jaar na Christus zijn boodschap in oost en west begon te verspreiden. Wat hij verkondigde, ervaarden zelfs diegenen die met het de leer van Zarathustra opgegroeid waren, als revolutionair. Goed en kwaad, licht en duisternis waren in de hele schepping aanwezig en ook de menselijke natuur bestaat uit een mengeling van deze beide elementen. De opgave van de mens bestaat er nu in te leren onderscheiden op welke manier men zelf aan het licht en de duisternis deel heeft, en het ene van het andere te scheiden. Daarvoor behoeft men noch een religieuze belijdenis noch een dogmatische geloofsleer, noch een gevestigde Kerk.

In de derde eeuw na Christus was de laat-hellenistische wereld nog verregaand van het culturele klimaat en het spraak- gebruik van de gnosis doordrongen. Binnenin alle toenmalige religies en in de meest verscheiden cultussen werkte de heils- leer van de gnosis als een praktijk naar zelfverlossing van de mens. Het menselijk wezen werd opgevat als een lichtwezen, dat in de duisternis van de materie als in een wezensvreemde omgeving gevangen zit. De opdracht van de mens bestaat erin, zich uit deze gevangenschap te bevrijden, en hoewel de weg naar deze zelfbevrijding heel moeizaam schijnt, is het principe eenvoudig en duidelijk: laat je niet door de wereldlijke dingen afleiden!

Laat je niet in beslag nemen! Houd je ver van alles wat aards is, want dit zal je reine lichtnatuur bezoedelen!

Helemaal anders klinkt het bij Mani: de mens is niet alleen licht, hij is licht én duisternis. Beide kwaliteiten zijn deel van zijn wezen. Ook Mani bediende zich van de beeldrijke taal van de gnosis om zijn inzichten in woorden te vatten. Hij schilderde als het ware met de taal. Mani was een begenadigd dichter, die het Middelperzisch nieuw leven in blies. Daarenboven ont- wierp hij een nieuw schriftsysteem, waardoor hij de levendige taal uit de dwangbuis van het oude hiëratisch-ideografische schrift bevrijdde, dat in het Perzische rijk nog steeds gebruikt werd. Het nieuwe schrift paarde helderheid aan schoonheid en elegantie, wat tot een soort van herkenningsteken van de manicheïsche teksten werd. Mani’s woorden klinken uiterst zelfbewust: hij heeft zijn wijsheid in zijn geschriften en beelden gelegd. Geschreven woord en geschilderd beeld, beide stellen verdichtingen van een wijsheid voor, waarin hij ingewijd werd tussen zijn twaalfde en vierentwintigste levensjaar gedurende zijn verblijf bij de Elchasaïtische doopsekte ten zuiden van Baghdad. Zijn geestelijke leider en gezel op deze inwijdingsweg, zijn hoger Ik, had hem in de dubbelgangergestalte van een engel reeds van kindsbeen af begeleid. Syzygos of tweelings-ik noemde Mani hem.

Ook als dichter en zanger van psalmen en hymnen, die langs de noordelijke zijderoute in en om de oase Turfan en ook later in Egypte gevonden werden, bewees Mani zich als universeel genie. Op minstens twee fragmenten, die in de Turfan-oase ontdekt werden, zijn muzikanten en zangers afgebeeld. En op die manier tonen de manicheïsche cultus en de rituele samen- komsten ook een uniek samenspel van religiositeit en kunst. Een bloem, een schaal met vruchten, een meer met watervogels – motieven, zoals ze op het Bema-miniatuurfragment afgebeeld zijn – wijzen tegelijk op de onmiddellijk beleefbare schoonheid van de schepping en op dat wat er doorheen schijnt, op hun oorspronkelijke, nog onberoerde paradijstoestand, op de licht- wereld, die in de schepping neergedaald is en die zich met de duisternis verbonden heeft.

Juist dit dubbele aspect maakt het betoverende van veel Iranese miniaturen uit. Wat men ziet, is een reële wereld met mensen in een werkelijkheidsgetrouwe omgeving en in een bepaalde situatie. Dit is het gebied van het afbeelden. Maar daardoorheen dringt de oorspronkelijke oerbeeldenwereld.

De blik van de kijker verliest zich en verdwaalt vooreerst in de veelheid van natuurelementen en figuren. Maar bij nader toekijken bemerkt hij boven de veelheid uitgaand een schitte- rende sterrenhemel. De hemel welft zich boven een tuin met roerloze cipressen en een zacht klaterende bron, in het midden zijn er enkele mensen zwijgend in een innerlijke, woordloze dialoog verzonken. Ongemerkt komt men uiteindelijk zelf aan in de tuin, om vervolgens in een innerlijk beeld te ontwaken. Beide dimensies gaan in elkaar over, met andere woorden, men kan zich naar believen tussen de uiterlijke realiteit en de in- nerlijke, imaginatieve werkelijkheid heen en weer bewegen.

Was het wegens deze innerlijke bewegingsvrijheid dat Mani zijn verkondiging in beelden naar voor bracht, of het nu woordelijk, of het geschilderd was? Is hij in deze zin een ‘kun- stenaar van het beeld’ bij uitstek ? Vast staat dat hij het woord tot vele mensen richtte. Het ging dan om groepen,  die in zeer verscheidene culturen en religies gevestigd waren: aanhangers van het boeddhisme en het hindoeïsme, nestoriaanse christenen, christenen van de kerk van Thomas, doopgemeenten in joodse en in christelijk- joodse tradities en niet te vergeten aanhangers van de verder ontwikkelde leer van Zarathustra, van het mazdaïsme (of par- sisme) in zijn eigen land. Wat Mani verkondigde, stond niet in tegenspraak met de openbaringen van hun religie, integendeel, hij verdiepte die, doordat zijn beelden en woorden de waar- heid, waaruit elke religie ontspringt, aan het licht bracht.

Hoe stelt men zich iemand voor die de betekenis van goed en kwaad binnenin de schepping verkondigt? Hoe ziet iemand eruit die in staat was niet alleen over een rijk van het licht en een rijk van de duisternis te spreken, maar die het verstond deze beide rijken schilderend in een beeld te vatten, waarin men kon zien en beleven dat het rijk van de duisternis door een verlangen naar het licht gegrepen werd, zodat vanuit deze begeerte een aanval op het lichtrijk ondernomen werd, die deze alleen kon weerstaan door een vrijwillig offer te brengen, om zijn lichtnatuur te bewaren?

Ik kan mij Mani als historische gestalte alleen als een in ieder opzicht onopvallende mens voorstellen. Veel legenden vermelden dat hij wegens een aangeboren misvorming hinkte. Ook als dat juist is, blijft hij voor mij een onopvallende figuur, een mens waarop niemand lette toen hij over het marktplein en door de bazaars liep. Hij bleef niet opvallen, totdat hij begon te spreken. Hij bleef niet opvallen, totdat hij met een penseelstreek kleur op een stuk zijde aanbracht. Op dat ogenblik ontplooiden zich in een duizelingwekkende ontvouwing alle wereldtijdperken, te beginnen met het tijdstip waarop duisternis en licht met elkaar in wisselwerking getreden waren en dit met slechts één enkel doel: de schepping van de mens, geweven uit licht en duister-nis.“Welke weg leidt naar de verlossing? Verklaar het ons!” Het antwoord op de talrijke vragen die op hem afstormden, drukte Mani in één handbeweging uit terwijl hij een donkere lijn over een helder vlak trok: “Leer onderscheiden!”

Dit grote leidmotief van de manicheïsche leer is een oproep om de lichtnatuur in het eigen wezen te onderscheiden van datgene wat deel heeft aan het rijk van de duisternis. Dit klinkt eenvoudig, maar het heeft een enorme draagwijdte. Het verbindende, alle mensen meebetrekkende, komt overeen met de lichtnatuur. Het scheidende en uitsluitende, het zelfzuchtige is de duisternis in ons.

Terwijl Mani dit verkondigde, kan het haast niet anders dan dat er een vonk van vuur op de omstaanders oversprong. Zijn blik moet verteld hebben over zijn brandend verlangen, dat hem tot zijn tochten dreef, zijn brandend verlangen naar de omvorming van de duisternis in een nieuwe vorm van het licht, naar de verlossing van het boze door de kracht van inzicht van het goede.

In de buurt van de antieke stad Persepolis ligt Naqsh-e Ros tam, waar de graven van de Achaemenidische heersers in een rotsmassief gehouwen zijn. Op één van de rotswanden is ook Kardir afgebeeld, de zoroastrische Maguped (hogepriester), in dienst van Ahura Mazda, die onder Bahram I ervoor zorgde dat Mani in ongenade viel. Toen ik het reliëf voor de eerste keer zag, was het zo broeiend heet dat er zich een soort sluier over gelegd had en de contouren zich schenen op te lossen. Een hete wind blies over de vlakte en behalve de taxichauffeur, Bahar en ik was er geen mens op deze plek. De taxichauffeur, die in de auto op ons wachtte, wees uitdrukkelijk in de richting van de graven, die onbereikbaar hoog in de rotsen gehouwen waren. Daarheen moesten we kijken! Maar vanuit de verte zocht mijn blik het Kardir-reliëf met het beroemde inschrift, dat vermeldt hoe Kardir ten gunste van de leer van het mazdaïsme alle vreemde religies uit het rijk van Bahram verdreven heeft en vooral de aanhangers van Mani vervolgde.

Is dit het lot, dat diegenen wacht, die zich voor de verlos- sing van de machten van het boze willen inzetten? Maar hoe kan men het boze verlossen als men het uit zijn gezichtsveld wegneemt? Op welke wijze kan men het licht leren kennen als men over de duisternis niets wil weten? Soms komt het mij voor alsof deze vragen, die voor de eerste maal in Iran gesteld worden, eigenlijk alleen maar in Iran kunnen gesteld worden en dat ze in al hun aspecten – zonder dat dit bewust wordt – ook nog vandaag in Iran werkelijk het leven bepalen.

Met Yadhollah stond ik twee jaar daarna opnieuw voor een reliëf, ditmaal in Naqsh-e Radjab, in de buurt van Naqsh-e Rostam. Hij wees mij erop hoe buitengewoon het is dat Kardir in profiel met een geheven, gekromde wijsvinger afgebeeld werd. Dit gold als een teken van respect voor de heerser. Yadhollah had me reeds meermaals verteld over zijn diepe verbinding met de leer van Zarathustra. Voor veel Iraniërs is dit een soort van streng bewaard geheim, dat ze zelden met een buitenlander delen.

“Wat denkt u over Mani?” vroeg ik.

“Dat is moeilijk,” antwoordde hij ontwijkend. Maar met zijn mening over Kardir was hij ongewoon openhartig.

“Heden ten dage lopen er honderden hogepriesters zoals Kardir rond, evenwel zonder gekromde wijsvinger; ze zien zichzelf noch min noch meer als grootkoningen!”

Christine Gruwez, uit ‘God is een kleur‘, te bestellen  Via Libra :  Via Libra <info@via-libra.be>

 

Mani als schilder. Detail uit een 17e eeuwse miniatuur.