De twaalfde Imam in het sji’isme

“Wie zijn imam erkend heeft, zit nu reeds met hem onder het tentdak”

De verwachting van de twaalfde imam in de sjiïetische islam

(vertaling van een artikel, verschenen in Das Goetheanum, 16/2002)

Het fenomeen van de islam is oneindig veel gedifferentieerder en veelvormiger dan we ons kunnen voorstellen. Hoezeer ook de actuele verslaggeving ons wellicht van het tegendeel tracht te overtuigen, de islam vormt in geen geval een groot monolithisch blok. Er is evengoed een Iraanse islam als een Turkse of een Indonesische. Anderzijds bestaat binnen de uiterste veelvoudige wereld van de dar-ul islam, ‘het huis van de islam’, geen centrale macht. In de islam is er geen kerk en ook geen religieuze hiërarchie. Deze verscheidenheid wordt reeds enkele jaren na Mohammeds dood in het jaar 632 duidelijk zichtbaar. Daaruit zullen de eerste conflicten en onenigheden ontstaan. Maar in feite draait alles rond de vraag naar de opvolging van Mohammed.

De eerste kaliefen (khalifa betekent letterlijk ‘plaatsvervanger, bestuurder’) Abu Bakr, Omar en Othman worden door een zogenoemde ‘raad van wijze mannen’ gekozen. Dit leidt tot spanningen binnen de vroege gemeenschap. Een deel van hen meent dat Ali, de echtgenoot van Fatima, de jongste dochter van Mohammed, en dus zijn schoonzoon, de enige rechtmatige opvolger is. Deze groep heeft de overtuiging dat Ali door de profeet zelf op verschillende tijdstippen tot zijn opvolger bestemd werd. Tenslotte wordt Ali tot vierde kalief gekozen, hoewel het conflict toch aanhoudt. In het jaar 657 staan de beide partijen gewapend tegenover elkaar. De tegenstander van Ali is Mu’awiya. Deze laatste beschuldigt Ali van medeplichtigheid bij de moord op Othman, de derde kalief. Beiden wenden zich nu tot een hogere raad, gaan in een soort van hoger beroep. Deze geeft Mu’awiya gelijk. Daardoor wordt Ali’s kalifaat ongeldig verklaard. Korte tijd daarna, wordt ook Ali om het leven gebracht, en Mu’awiya wordt de vijfde kalief. De gelovigen die deze opvolging van kaliefen als de juiste beschouwen, worden soennieten genoemd. Vandaag behoren negen op de tien moslims tot de soennieten.

Degenen echter die aan de benoeming van Ali als kalief vasthouden, zonderen zich nu van de meerderheid af en vormen de sjia. Het begrip sjia betekent onder andere ‘afzonde- ring binnen een groter geheel’. Maar het kan ook ‘begeleiden, volgen’ betekenen, vandaar de benaming ‘sjiïeten’.

Tussen de soenna en de sjia zijn er vele overeenstemmingen. De grondbeginselen van de islam zijn voor de beide groepen gelijk. Maar in tegenstelling tot de soenna is de sjia van een messiaanse heilsverwachting doortrokken, die zich op het einde der tijden richt. In plaats van Mohammed (zoals bij de soennieten) is het Isa (de profeet Jezus) die aan het einde der tijden als rechter zal verschijnen. Deze grootse gebeurtenis zal door de wederkomst van de twaalfde imam ingeleid worden. Hij is de twaalfde opvolger van Ali, die van zijn kant door de sjiïeten als de eerste imam gezien wordt.

Zowel binnen de soenna als de sjia ( alsook buiten de beide)  ontwikkelen er zich verder nog andere stromingen. Het thema van de wederkomst van de twaalfde imam speelt zich overwegend binnen de Iraanse wereld af. Iran met zijn spiritueel rijke voorgeschiedenis, waarin de religie van Zarathustra en het manicheïsme zich geopenbaard hebben, is par excellence het land van grote theologen en geesteswetenschappers. In het begin van de zestiende eeuw wordt het sjiïsme in Iran staatsreligie en dat is zo tot op vandaag. Veel van wat er zich in de laatste tijd in Iran afgespeeld heeft, valt niet te begrijpen zonder een grondige kennis van de rol en betekenis van de twaalfde imam, de Imam-e Davazdat.

De twaalfde imam
Zowel voor de soennieten als ook voor de sjiïeten slaat het begrip imam op ‘diegene die de leiding neemt, die begeleidt’. In het kader van de gebedspraktijk is hij diegene die in de moskee de gelovigen in recitatie en gebed voorgaat en die door zijn voorbeeld de verschillende momenten en houdingen van de liturgie aangeeft. Het Arabische imam betekent letterlijk ‘degene die voorgaat’. Daarenboven stelt hij zich ten dienste van de gemeente en zorgt voor het morele en sociale welbevinden van diegenen die aan hem toevertrouwd zijn.

Nog een heel andere inhoud komt daarbij als er van de twaalfde imam sprake is. Dit ruimere begrip is aan de twaalf ‘nakomelingen’ van de profeet voorbehouden, te beginnen met Ali ibn Abi Talib, echtgenoot van Fatima en vader van Hassan en Hussein tot aan de twaalfde imam. Deze twaalf imams vormen het ‘pleroma’, het ‘geheel van spirituele leiders’, wier opgave erin bestaat de geheimen die in de openbaringen van de koran verborgen zijn, van hun versluierd-zijn te bevrijden. In deze zin worden zij ‘hoeders van de schat’, maar ook ‘schat’ genoemd. Die geheimen te kunnen vinden wordt met de ontdekking van een schat gelijkgesteld. Deze schat geeft anderzijds de toegang tot de essentie van de esoterische islam vrij. Ze staan gezamenlijk als een groep van twaalf voor Gods vriendschap, de awliya’choda, en wie door hen op zijn spirituele weg ingewijd wordt, wordt een wali-ye choda, een godsvriend. Dit alles zou misschien al tot de voorstelling kunnen leiden dat het hier om figuren gaat die zich buiten tijd en ruimte bevinden. Maar het verrassende daarbij is dat niet alleen van Ali, maar ook van de andere elf figuren, de biografische gegevens in de geschiedens kunnen opgespoord worden.

De geschiedenis van de twaalfde imam is daarvan het markantste voorbeeld. Zijn grootvader, de tiende imam, werd als zevenjarig kind in zijn ambt bevestigd. De soennietische dynastie van de Abbasiden in Baghdad, dat tevens de zetel van het kalifaat was, vervolgde hem en zijn familieleden. Twintig jaar lang werd hij in Samarra, een garnizoenstad in de buurt van de hoofdstad, gevangen gehouden.

Nochtans hadden de relaties tussen het kalifaat in Baghdad en de imam niet altijd een gespannen karakter. Al-Ma’moem, de zoon van Harun Ar-Rashid, had vroeger al eens het voornemen gehad om de achtste imam tot zijn opvolger te benoemen. Ongetwijfeld was de tijd voor zo’n ontwikkeling nog niet gekomen. Ook de achtste imam stierf voortijdig, zodat dit plan niet kon worden uitgevoerd.

Bekend is dat de zoon van de tiende imam, Hasan al-Askari, de toekomstige elfde imam, in Samarra geboren werd. In zijn droomvisioen schouwt de tiende imam diegene die met zijn zoon zal trouwen: de Byzantijns-christelijke prinses Narkissa, een dochter van de Byzantijnse troonopvolger. Langs moederszijde zou zij een nakomelinge zijn van de apostel Simon Petrus. Deze jonge vrouw had zelf in haar kinderjaren vele droomvisioenen gehad. In één van die visioenen ziet ze Christus temidden van zijn leerlingenschaar. Christus neemt plaats op dezelfde plaats in het paleis, waar de keizerlijke troon zich bevindt. In de troonzaal verschijnt nu Mohammed, die door twaalf imams begeleid wordt. Er ontwikkelt zich een gesprek, waarin de prinses verneemt dat ze voorbestemd is om de aardse moeder van de twaalfde imam te worden. Dit alles sterkt de jonge vrouw in haar besluit om uit het keizerlijke hof in Constantinopel weg te vluchten. Op haar reis steekt ze de zee over en bereikt Baghdad. Daar wacht een boot van de tiende imam op haar. De vereniging van Narkissa en Hasan al-Askari wordt ingezegend. Het kind dat ze verwacht, geeft reeds voor de geboorte te kennen dat het hier om een bijzondere incarnatie gaat. De gebeden die Narkissa spreekt, spreekt het mee, en onmiddellijk na zijn geboorte wordt het door een vogel tot hoog in de hemel gedragen. Zijn vader herkent daarin het teken van de Parakleet, van de trooster, die zal komen om een Godsrijk van de vrede en de gerechtigheid op aarde te stichten. Het kind is nauwelijks een paar jaren oud als de vader sterft, nadat hij de investituur (bevestiging van het ambt) van zijn zoon voltrokken had.

Kort daarop verdwijnt het kind, of juister gezegd: hij trekt zich uit de wereld van het zichtbare, het gemanifesteerde terug. Dit wordt als een ‘kleine verborgenheid’ beschreven. Wel blijft het opgroeiende kind in contact met de gemeenschap van de sjiïetische gelovigen, met de hulp van vier nauwverbonden getrouwen. Langs deze weg worden vragen en antwoorden uitgewisseld.

Maar in het jaar 942 houden deze boodschappen op. Dit is het begin van de ‘grote verborgenheid’, waarin de twaalfde imam vrijwillig verblijft, tot aan het tijdstip waarop zijn wederkomst aangebroken zal zijn.

Tot op vandaag zijn er talrijke mensen die van een ontmoeting met de twaalfde imam getuigenis afleggen. In de regel gaat het om korte, maar levensbelangrijke ontmoetingen. Niet zelden bevindt de betrokkene zich in een acuut levensgevaar of in grote psychische nood. Door de twaalfde imam aangeraakt worden heeft een helende, bevrijdende werking, zelfs al dringt het soms pas achteraf bij de betrokkene door wie hem of haar in feite heeft geholpen.

Oerbeeld
Ali, de eerste imam, is tegelijk degene die de cyclus van het imamaat inzet. Dit speelt zich gelijktijdig zowel in een historische alsook in een geestelijke dimensie af. Om dit in zijn hele draagwijdte te vatten moet men zich eerst een voorstelling ontwikkelen van wat er aan voorafgegaan is. Zowel in de soenna als in de sjia is men het erover eens dat Mohammed de rij van de profeten afsluit. Mohammed is het zegel in de cyclus van de profetie. Dit betekent dat er na hem geen openbaringen meer door profeten aan de mensheid meegedeeld worden. De goddelijke wereld deelt zich niet meer aan de mensen mee. Voor de sjiïeten – in tegenstelling tot de soennieten – betekent dit niet het einde van de religie als gebeurtenis, want het eindpunt van de cyclus van de profetie (Mohammed) valt samen met het beginpunt van de cyclus van het imamaat (Ali). Door deze nieuwe cyclus begint stilaan een spirituele inwijding in de verborgen wijsheid van het goddelijke. Slechts geleidelijk aan kunnen mensen daaraan deelnemen, want het gaat hier om een eigen innerlijke ontwikkeling, om een scholingsweg. Wie met de hulp van een innerlijke ontwikkelingsweg daaraan deel heeft, sluit zich bij de schare van diegenen aan, die de awliya, de ‘godsvrienden’ genoemd worden. Deze benaming komt strikt genomen uitsluitend aan de ‘pleroma’ van de twaalf imams toe. Hun uitverkoring is een gebeuren dat voor hun aardse geboorte plaatsgevonden heeft, en ieder van hen heeft in het voorgeboortelijke alle overige imams ontmoet. In het preëxistentiële bestaan waren ze samen in de gelijktijdigheid, maar in het aardse leven volgen ze elkaar op in het tijdsverloop.

Kan men het profetendom als een gebeuren beschouwen waarbij datgene wat in God verborgen is, door het woord van de profeten heen naar buiten geopenbaard wordt, dan vindt in de cyclus van de awliya het omgekeerde plaats. Datgene wat door de profeten geopenbaard werd, wordt nu naar binnen gekeerd, wordt in het spirituele kennisorgaan opgenomen en eigen gemaakt. Op deze wijze wordt dit kennisorgaan in zijn werkzaamheid gewekt. Dit is een open proces dat weliswaar een aanvangspunt heeft (de eerste imam), maar dat pas zijn voleinding zal vinden bij de wederkomst van de twaalfde imam. Met andere woorden: er is een onderweg zijn naar de toekomst die nog open is.

Mohammed sluit die lange rij van openbaringen, die in het mensheidsverloop gegeven werden, in zijn eigen persoon af. Hij brengt geen nieuwe openbaring, maar een extract, een geconcentreerde samenvatting van alle openbaringen, een soort oeropenbaring, die de cyclus van de openbaringen als een zaad in zich samentrekt. Maar dit zaad begint nu te kiemen.

De cyclus van de awliya stelt een groeiproces voor, dat uit deze kiem tevoorschijn komt. Dit proces is nog niet afgesloten. De geheime sprong van zaad naar kiem kan men als een gebied bekijken, waarin zich de omkering van openbaar-worden tot verinnerlijkt-zijn, van exoterisch naar esoterisch voltrekt. In de beschrijvingen van vele sjiïetische mystici en theosofen wordt dit alchemistisch omvormingsproces van de ziel als de ‘verwerkelijking van de profeet in de mens zelf’ beschreven. Iedere profeet wordt door God naar de wereld gestuurd om aan de wereld zijn goddelijke openbaringen te verkondigen. Mohammed is de laatste van Gods gezondenen (rasul). Iedere mens wordt ertoe opgeroepen om de verkondigingen van de profeten in zijn eigen innerlijk naar hun goddelijke oorsprong terug te brengen. Dit terugleiden, dit ta’wil, maakt het aards- historische transparant voor de lichtvolle werkzaamheid van de goddelijke oerinspiraties. Tegelijkertijd wordt ook het donkere van de menselijke natuur tot verlossing gebracht. Als dit proces voleindigd wordt, is het einde der tijden aange- broken, of nog sterker : dit proces is er zelfs de voorwaarde voor.

In de mate waarin de mensen deze weg van verinnerlijking gaan, krijgt de twaalfde imam de mogelijkheid om zijn wederkomst voor te bereiden. In het oorspronkelijke sjiïsme gaat het daarbij eenduidig om een geestelijke gebeurtenis, die zich in de aardse sfeer voltrekt. Juist daarin bestaat zijn inhoud en zijn betekenis: de wederzijdse doordringing van de aardse en goddelijke sferen gedurende de omvorming, wat tot een rijk Gods op aarde zal leiden. Dit mag men in elk geval niet als een geschenk van God zien! Het valt de mens niet toe als iets wat hem uit een goddelijke sfeer toegestuurd wordt! De diepste zin van de ‘verborgenheid’ bestaat daarin, dat het inzicht moet ontstaan, dat het in laatste instantie het innerlijke van een mens zelf is dat de oorzaak van deze verborgenheid is. Het is de mens zelf, die de imam ‘versluiert’. De verwerkelijking van de profeet in zichzelf in de vorm van een zevenvoudige oefenweg bestaat erin, dat stapsgewijze de ene sluier na de andere weggehaald wordt.

 

Zevenvoudig spectrum
Bijzonder karakteristiek voor het sjiïsme is dat de trappen van de oefenweg die tot ontsluiering leiden, in begrippen beschreven worden die aan de wereld en de werking van de kleuren ontleend zijn. Belangrijk is dat deze kleurenterminologie niet uitsluitend een symbolische waarde heeft. De mens is een wezen dat tussen licht en duisternis geplaatst is. De veranderingen die zich in hem voltrekken, leggen spirituele organen vrij, die naar de waarneming en het inzicht in het gebied van het geestelijke leiden. Daarom stelt de gegeven kleur een reële ervaring voor, die tijdens de oefenweg optreedt, en ze geeft heel precies aan in welk gebied de leerling zich juist bevindt en vanuit welk bijzonder kennisorgaan hij tot zijn geestelijke ervaring komt. Iedere etappe van de oefenweg wordt met de naam van een profeet aangeduid, en het ontsluiten van het overeenkomstig kennisorgaan wordt door een bepaalde kleur aangegeven.

De Adam in jou
Met deze uitdrukking wordt op dat lichaam gewezen dat als fijnstoffelijke gietvorm de schaal vormt voor de nog in de toekomst te ontwikkelen ‘nieuwe Adam’. De overeenkomstige kleur is grijs of preciezer gezegd: vertroebeld licht. In dit stadium is het bewustzijn nog gedempt, hoewel reeds de allereerste kiem van een nieuw geesteslichaam gelegd wordt.

De Noach in jou
Noach is degene die in staat is alle dieren in één enkele ark onder te brengen. Hier krijgen we met het vermogen te maken om de meest verscheidene driften en begeerten van de animale ziel te bundelen en deze aan één enkel principe te onderwerpen. Men zou ook kunnen zeggen: het gaat erom een strijd tegen deze uiteenlopende neigingen te voeren, precies zoals ook Noach een strijd tegen het eigen volk moest voeren. Als kleur verschijnt hier het diepe indigoblauw, de kleur van het verdriet en het afscheid, omdat iedere mens in zijn natuurlijke toestand duidelijk het meest aan dit deel van de ziel hangt.

De Abraham in jou
Abraham is degene die in het teken staat van de getuigenis van het nakomen van een gelofte. Hier hebben we te maken met het moment van de gelofte van een talrijk nakomelingschap. Een eerste begin is gemaakt, een eerste kiem is gelegd, zoals de eerste inkerving in een oesterschaal, waaruit een parel kan ontstaan – de geboorte van het hogere Ik, dat op de zesde trap bereikt wordt. De kleur is rood. Abraham stelt het hart, de zetel van de liefde die getuigt, voor.

De Mozes in jou
Hier komt men aan een drempel, zoals ook Mozes zich voor een geestelijke drempel bevond toen God tot hem sprak op de berg Sinaï, hoewel hij God toch niet kon zien. Hij wordt hier tot Godsvriend (dust-e choda) gemaakt, hij wordt in het intieme gesprek met de goddelijke kern, die in hemzelf ligt, binnengebracht, waarbij het schouwen, dat iemand naar buiten leidt, nu in een schouwen naar binnen omgevormd wordt. De daarbij behorende kleur is wit – transparant en afscherming tegelijk. Het goddelijke is nog steeds verhuld, maar het schijnt door het membraan heen, het membraan dat in de menselijke ziel een tussenwand tussen de ziel zelf en het goddelijke in haar vormt.

De David in jou
David is de koninklijke mens, de soevereine heerser over en binnenin het eigen zielengebied. Hij stelt het geestelijke in de mens voor als een kalief, een stadhouder van God, wiens wijsheid daarin bestaat, dat hij het goddelijke als leidend principe kan aanwenden tegenover de zelfzuchtige strevingen van de ziel. Dank zij hem heersen schoonheid, orde en harmonie. Stralend geel is de kleur van dit geestelijk leiderschap.

De Jezus in jou
Hier treedt men in het Heiligste der Heiligen binnen, waarin geen enkele werking van de zintuiglijke wereld of neiging van de ziel die aan deze wereld hangt, nog kan binnendringen. Isa (Jezus) is de profeet die elk schepsel bij zijn eigen naam vermag te noemen, waardoor het gewekt wordt als voor een nieuwe geboorte. De zuiverheid van het hart van Isa schept de mogelijkheid om deze namen als inspiratie van de Heilige Geest te ontvangen. De overeenkomstige kleur is het stralende zwart, het punt waarop men het innerlijke wezenslicht van alles wat is, ziet opgaan, zoals een zon om middernacht.

“De Mohammed in jou”
Precies zoals Mohammed het afsluitende zegel van de cyclus van de profeten werd, komt de leerling ook daar waar hij in staat is om zegel van het eigen Zelf te worden, het eigen hogere wezen te bezegelen. De kiem die in de schoot van Ab- raham gelegd werd, nadat de eerste adam de substantie voor een schaal gevormd heeft en die door Noach samengevoegd werd, wordt nu tot volkomen leven opgewekt; Mozes bracht deze kiem tot aan de drempel. David leidde de substantie als bruid in het geestesrijk en bezong haar schoonheid. Isa maakte haar voor de hoogste inspiratie ontvankelijk, doordat hij haar wezenslicht in de diepste werkelijkheid onderdompelde. De kleur, die met de trap van Mohammed overeenkomt, is het stralende groen, het groen dat uit de diepte en de donkerte van verlatenheid en dood jubelend geboren wordt. Dit laatste en volmaaktste stadium wordt het ‘smaragden visioen’ genoemd. Dit is de kleur die in Iran het zonlicht op de talloze koepels van de moskeeën reflecteert, om dan bij zonsondergang in de zachtste en subtielste ‘tegenkleur’ te veranderen: het geheel immateriële magenta, een kleur die nog geen stoffelijke drager op aarde gevonden heeft en die zich voorlopig uitsluitend in de wisselwerking van duister en licht kan tonen.

 

De nieuwe mens: van profeet tot imam
Men zou zich kunnen afvragen of er een bijzondere reden is waarom in het sjiïsme juist deze zeven profeten voor de zevenledige oefenweg uitverkozen werden. In de koran komen namelijk talrijke profeten voor. Ook de rol van Mohammed werpt vragen op. Wat betekent het dat hij op de zevende trap verschijnt? Gaat het om een soort hiërarchie?

Bij nadere beschouwing blijkt dat de benaming profeet (nabi) geen eenduidig karakter heeft. Ten eerste gaat het om een aanleg, die een bepaalde mens bezit. Die aanleg kan echter omgevormd en ontwikkeld worden. De aanzet ligt daar waar de mens voor goddelijke ingeving ontvankelijk is. Speelt dit zich af binnenin de grenzen van de eigen ziel, dan kan er van geen werkelijk profetendom sprake zijn. Evenwel stelt het een allereerste begin voor. Het geïnspireerd-zijn gaat hier niet boven de eigen persoon uit. Is de geïnspireerde misschien een dichter? Dit wil zeggen dat de mens vooreerst nog zelf in de visioenen en woorden die hem geopenbaard worden, gevangen is. Hij wordt er niet in wakker. Het wakker worden zet zich pas in op het moment, als er bij hem een bewustzijn groeit dat deze openbaringen een oorsprong hebben en dat deze oorsprong buiten het eigen wezen ligt. Maar ook dat wordt nog niet onmiddellijk volledig bewust waargenomen. Iemand neemt bijvoorbeeld een engel waar, die in een droom- gezicht een bemoediging of een waarschuwing brengt. In dit geval kan zulke belevenis er al op duiden dat er voor hem een uitverkoring tot ‘godsvriend’ op komst is. Pas als men zowel de inhoud als de bron van de openbaring bij vol bewustzijn inziet, is er van een waar profeet zijn sprake. Het gaat om een dubbele uitverkoring: men is godsvriend en profeet tegelijk.

Wordt men nu door God uitgezonden om de tekens die men ontvangen en herkend heeft, aan een groep of een volk door te geven, dan wordt men als profeet tegelijk gezondene (rasul). Dit wordt van Mohammed in de geloofsbelijdenis van de islam bevestigd, als er gezegd wordt: Wa Mohammed rasul Allah! (En Mohammed is de gezondene van God!).

Dezelfde kentekens gelden ook voor de zes andere ‘profeten en gezondenen’, van wie ieder ‘hoeder en herder’ is, profeet én gezondene. Wat Mohammed van hen onderscheidt, is niet de inhoud van de openbaringen die op hem neergedaald zijn. Ook niet dat hij vanaf een bepaald tijdstip volbewust tot dit inzicht kon komen of dat het Gabriël, de engel van het inzicht en de openbaring was, die hem inspireerde. Veeleer is de bijzondere betekenis van Mohammed terug te brengen op zijn rol (ta’wil betekent letterlijk ‘rol’) in de oorspronkelijk gebeurtenis waaruit de profetenrij voortgevloeid is. Bij dit gebeuren gaat het om een verbond dat tussen God en de nog niet geschapen mensheid gesloten werd, waarbij de mensheid, opgeroepen tot medewerking aan het scheppingsplan van God, er met vreugde ‘ja!’ op antwoordde. Dit speelde zich af in de wereld van de zuivere paradijselijke oertoestand, die men ook als de wereld van het zuivere licht kan beschrijven, waarin het licht nog niet tot een mededeling overgegaan is. Het is het oord dat nog voor het scheppingsproces als dusdanig ligt.

In deze wereld bevinden zich alle toekomstige openbaringen in hun mogelijkheden als levende, scheppende realiteiten, zoals de levensbron in het midden van het paradijs. Iedere profeet werd bij wijze van spreken door deze levensbron aangeraakt, en dat wat zich uit het gesproken en geschreven woord verdichtte, werd tot de ‘uitgesproken’ mededeling, tot de levensregel, tot de wet voor een groep mensen, aan wie deze woorden gericht waren. Mohammed onderscheidt zich van de overige profeten daarin, dat hij als eerste in de oorspronkelijke oertoestand, het eigen hart opende voor het nog onuitgespro- ken woord van God, lang voor het in de aardse dimensie van tijd en ruimte verwerkelijkt wordt, namelijk wanneer Gabriël hem oproept om de in zijn hart ingekerfde sporen nu als mens in de openbaarheid te brengen, ze dus daadwerkelijk uit te spreken: Iqra! (Spreek!)

De nog niet geschapen werkelijkheid van Mohammed (haqiqat Mohammadiya) en het preëxistente profetendom zijn één. Om die reden is Mohammed tegelijkertijd ook de laatste profeet, omdat hij in de preëxistente realiteit van het profetendom de eerste was wiens hart door dit nog onontplooide openbaringslicht aangeraakt werd en hij het als eerste in zijn totaliteit ontvangen heeft. Iedere profeet brengt op zijn wijze uit zijn innerlijk wezen iets van dit openbaringslicht tot uitdrukking, en Mohammed kan dat alles als concentraat samen- vatten omdat hij het reeds ontvangen had, nog voor het zich van tijdperk tot tijdperk en van mens tot mens ontwikkelde.

Vanuit een zelfde vertrekpunt kan ook een mens, die het initiatief tot de innerlijke ontwikkelingsweg neemt, zelf tot zegel worden. In dit geval: tot zegel van zichzelf! Want ook hij stond eens nog voor het begin der tijden als oerbeeld van de volkomen mens (Insan-al Kabir) oog in oog met zijn schepper. Zichzelf bezegelen betekent de laatste handeling aan zichzelf voltrekken, zodat het ‘oorspronkelijke oerbeeld’ kan voltooid worden, maar ditmaal binnen het kader van de schepping en door de deelname van de mens, door het zogeheten ‘kalief^zijn’.

Kritische stemmen zeggen dat het bij Mohammeds opvolging de bedoeling was om een soort van familie-erfopvolging te vermijden. In de rij van de twaalf imams, begonnen met Ali, is er duidelijk een toonbeeld van erfopvolging te zien. In de regel volgde de zoon de vader op.

Wie zo oordeelt, betrekt niet het preëxistente profetendom, de eeuwige realiteit van de profetie (haqiqat Mohammaddiya) daarin mee. Ook het ‘pleroma’ van de twaalf imams heeft deel aan het zuivere licht van de nog ongeboren schepping. Tenslotte moet men de twaalfde imam als de volheid van het licht van alle voorafgegane imams zien en hun opeenvolging in de geschiedenis als juist de verwerkelijking van de levende realiteit van dit lichtpleroma begrijpen. De omstandigheid dat ze in de aardse dimensie als vader en zoon op elkaar volgen, kan alleen als teken van hun oorspronkelijke verbondenheid geduid worden. Geïncarneerd in de tijdstroom van de menselijke geschiedenis, openen ze een weg naar de toekomst, waarin er steeds meer mensen opgeroepen worden om wegbereider te zijn, en wel door zich esoterisch in dat te verdiepen, wat in het tijdperk van de profeten geopenbaard werd.

Ontmoetingen met de twaalfde imam

Reeds tijdens de periode van de ‘kleine verborgenheid’ legden mensen getuigenis af dat ze de imam ‘gezien’ hadden. Deze stroom van getuigenissen droogde niet op, ook niet toen de periode van de ‘grote verborgenheid’ aanbrak. Het vloeit tot op vandaag ononderbroken verder.

Veel van deze getuigenissen werden verzameld en opgeschreven. De oudste geschriften, die zich met dat thema bezighouden, stammen uit de tiende eeuw, waarin de twaalfde imam leefde. Ya’qub al Kulayni bijvoorbeeld bericht van twaalf mensen die keer op keer een ontmoeting met de twaalfde imam hadden; ze vonden plaats zowel voor als na de periode van de ‘verborgenheid’ (ghayba). Dit geschrift is één van de eerste geschriften in een lange rij die tot op vandaag verdergezet wordt. De schrijver Abu’l-Qasim Khan Ibrahimi, die in 1969 in Iran stierf, werpt opnieuw de vraag op naar de juiste dimensie waarin deze ontmoetingen zich afspelen, want talloze getuigenissen berichten van een ontmoeting op het ‘fysieke’ gebied. De twaalfde imam is reëel aanwezig en werkzaam in de wereld.

In de berichten zijn er drie types van ontmoeting te onderscheiden:

1. Ontmoeting als redding in nood
Een mededeling van de twaalfde imam die via tussenpersonen publiek gemaakt is, zegt dat zijn opdracht bestaat in het ter hulp komen aan noodlijdenen en het redden van diegenen die zich in gevaar bevinden. Vanzelfsprekend vinden deze ontmoetingen in het dagelijkse leven plaats, waar de mensen op allerlei manieren aan bedreiging of gevaar blootgesteld zijn. Soms verschijnt de imam als in een droomgezicht en spreekt samen met de noodlijdende een gebed, zodat hij als hij weer wakker is, opnieuw kan bidden, en hem vandaaruit de redding komt. Het komt ook voor dat de imam iemand die van honger en dorst dreigt te sterven, op zijn paard neemt en gedurende de hele rit een gebed spreekt, totdat de woestijn achter hem ligt. Ziekte wordt genezen doordat de imam hem de hand oplegt; mensen die kommer of verdriet hebben, worden getroost doordat hun huis door een weldadig licht vervuld wordt, waarin de imam verschijnt enzovoort.

2. Ontmoeting als inwijding
Bij dit type komt de imam de mens op zuiver spiritueel vlak tegemoet. Hij wijdt hem in een geheim in, dat met een woord van de koran samenhangt, waar de betrokkene soms al jaren mee worstelde om het op een dieper en meer innerlijk niveau te begrijpen. Of de imam onderricht een leerling op zo’n manier dat zijn hele kennis, die tot dan slechts in brokstukken in zijn bewustzijn aanwezig was, zich nu tot een werkzame samen- hang verbindt, van waaruit de waarheid van God oplicht. De verhouding tussen de imam en diegene die door hem verlicht wordt, kan men als die tussen vriend en geliefde beschrijven. Hun relatie is doortrokken van de trouw aan het mysterie van de verinnerlijking, een mysterie dat beiden verenigt en nader bij elkaar brengt en ook nader tot de goddelijke oerwerkelijkheid.

Het onderscheid met het eerste type is dat de leerling niet steeds onmiddellijk om hulp vraagt. Veeleer brengt zijn inwijdingsniveau hem tot dat gebied waar een ontmoeting met de twaalfde imam mogelijk wordt. Zo zijn er talrijke ge- tuigenissen van mediterende pelgrims die op hun tocht door wilde, onvruchtbare streken de twaalfde imam ontmoeten, die onder een tentdak zit en in diepe contemplatie verzonken is. Spirituele en aardse geografie vermengen zich. De reiziger is echt onderweg naar een aardse bestemming, maar zijn tocht is tegelijk een onderweg-zijn van de ene etappe van spirituele verwerkelijking naar de volgende. In dit tussengebied komt hij met de twaalfde imam in contact.

3. De eschatologische dimensie
In een derde vorm van ontmoeting komen leniging in de nood en inwijding samen. Alle mensen die ziekte, uitputting, folter en vervolging te verduren hebben, zijn tevens als een symbool voor de spirituele toestand van de mensheid als dusdanig. De weg van verinnerlijking is evenzeer niet vrij van gevaar en nood. Al deze soorten van beproeving en lijden kan men onder één noemer brengen, namelijk het verlangen om oog in oog met de twaalfde imam te staan of juist de spirituele zelfverwezenlijking.

De imam in zichzelf ontmoeten gelijkt op een spirituele wedergeboorte. Dit betekent reeds de wederkomst van de imam, maar omdat de twaalfde imam eigenlijk pas aan het einde der tijden verwacht wordt, betekent dit ook dat de be- trokken mens zichzelf al van die noodzaken bevrijd heeft, die met het aardse tijdverloop samenhangen. Hij laat deze vorm van de tijd, m.a.w. de dimensie van het gewordene, achter zich, om in het wordende binnen te gaan, in het rijk dat niet langer door de (aardse) tijdsdimensie beheerst wordt. In deze dimensie bevindt de twaalfde imam zich in werkelijkheid: in de levendige stroom van het worden, die tegelijk wil begrepen worden als de bron waaruit alles voortkomt, wat op aarde voortdurend in wording is en in de ruimtedimensie tot stolling komt en gestalte krijgt, vorm aanneemt. Iedere spirituele reiziger beweegt zich in zijn streven onophoudelijk tussen de beide sferen.

De twaalfde imam verwijlt in de sfeer van de scheppende, stromende tijd, maar zijn wezen breidt zich daar ver bovenuit en raakt de sfeer van het gewordene, ja doordringt haar, zodat voor diegenen die daarin verwijlen, troost en ver- lichting waarneembaar worden. Zo wordt duidelijk waarom – nog steeds – in Iran de twaalfde imam als de ‘heer van de tijd’ aangeroepen wordt. Hij is het kloppende hart van de levende, scheppende tijd. In het hart van de leerling, waarin dit kloppen door beproeving en nood waarneembaar wordt, is ook de tegenwoordigheid van de twaalfde imam voelbaar. Weliswaar is hij ook in de buitenwereld waarneembaar, maar zijn eigenlijke thuis wordt nu pas ontdekt: in het hart van al diegenen die zich voor deze werkelijkheid openen.

De tijd van de Parakleet
Het tijdperk van de twaalfde imam kan men niet in het lineaire tijdsverloop van de aardse geschiedenis onderbrengen. Het gaat niet om een historisch tijdperk dat begint om een vorig af te lossen. Het wordt hier en nu al tot werkelijkheid, in de mate waarin een gelovige de eerste stap zet in de richting van de innerlijke tijd in het eigen hart. Zo bereikt hij al de sfeer waarin de imam leeft.

Deze sfeer is niet alleen ontmoeting, maar ontmoeting en inzicht ineen. Weten wordt ervaring, en ervaring gaat in weten over. Deze vorm van weten verwerkelijken staat gelijk met een genezing. Het gaat erom de trooster en de troost te vinden, dus een soort opstanding. Voor diegene, die op deze wijze zichzelf tot een wederopstanding gebracht heeft, is de aardse dimensie van de wederkomst van de imam van geen belang meer. “Het is om het even,” zegt de traditie, “of de komst van de imam uitgesteld of bespoedigd wordt. Wie zijn imam erkend heeft, zit nu reeds met hem onder een tentdak.”

Christine Gruwez

Kerstmis 2001