‘Kleurmeditatie’ Kees Veenman

Voorwoord bij Kees Veenman,

                                   ‘Kleurmeditatie’

 

Op 11 april stelt Kees Veenman het boek ‘Kleurmeditatie’ voor. Meer informatie op www.antroposofie.nl/verenigingsnieuws/dag-van-de-hogeschool-op-11-april

Bij wijze van uitnodiging het voorwoord. (C.Gruwez)

Sinds het ontwerp van Goethe’s kleurenleer is het mogelijk geworden om zo over kleuren te spreken dat ze als ‘fenomenen’ worden geduid. Letterlijk betekent fenomeen ‘het verschijnende’ waarbij verschijnen inhoudt dat datgene wat voordien voor de waarneming niet zichtbaar was, zich nu manifesteert, dit wil zeggen het terrein van het waarneembare binnentreedt. Het gaat hierbij om een ‘gebeuren’, een dynamisch proces. Een proces dat mogelijk wordt dank zij het spanningsveld, de polariteit tussen licht en donker. Kleur openbaart zich in dit spanningsveld. Uiteraard moet er een subject zijn dat de waarneming voltrekt, maar de objectiviteit van het waargenomene blijft in deze visie gehandhaafd. Alleen al daarom is de benadering van Goethe en in diens voetspoor die van Steiner, niet zo maar een theorie om het bestaan van kleuren te kunnen verklaren. Hoe het verschijnsel kleur te verklaren is slechts één onderdeel van deze benadering. Het reikt veel verder dan dit: het gaat in feite om het tot het inzicht komen dat kleuren een werkelijkheid op zich vertegenwoordigen. In haar geheel is het ontstaan en de werking van de kleur te begrijpen als een proces dat zich tussen licht en duisternis als oerpolariteit afspeelt. Hoe het licht zich met het duister verbindt en hoe het duister het licht binnendringt, is beslissend voor het ontstaansproces van elke kleur. Dit in te zien is een eerste stap. Het komt er vervolgens op aan, iedere kleur afzonderlijk als een specifieke verschijningswijze in het geheel van het kleurenspectrum te benaderen. De kleur als fenomeen is ‘wordend’. In dit wordingsgebied van kleur binnen te treden is het feitelijke oefenterrein van de kleurenfenomenologie. Door dit te beoefenen en tevens het waarnemingsproces zelf tot object van dit oefenen te maken, wordt het mogelijk om gaandeweg de individualiteit van elke kleur afzonderlijk als een ‘kleurgebaar’ te herkennen. Hiermee is de weg geopend naar het kernstuk van dit boek: de kleurmeditatie. Zich meditatief te verdiepen in de werking van de kleur betekent een dynamische wereld te betreden. Op dit punt gaat het niet meer om het esthetische beleven dat kleuren kunnen teweegbrengen. Het gaat om het zoeken naar een toenadering tot de geestelijke werking van de kleur., ‘het gebaar’, dat uiteindelijk kan voeren tot een ontmoeting met het wezen zelf van de kleur. Net zoals dat voor de weg van de meditatie in het algemeen geldt, is hier een grondige voorbereiding nodig. Immers: «Dan sta je voor de uitdaging in de dynamiek van een kleur te kunnen leven zonder er door overmeesterd te worden» ! (blz.45) Bij het gewone waarnemen van de kleur wordt dit overweldigende van de dynamiek terug in evenwicht gebracht door de overeenkomende respons: het nabeeld. Bij de kleurmeditatie is dit niet langer meer het geval. Hier dient op de stuurkracht van het ‘ik’ beroep te worden gedaan. Het is het ‘zuivere denken’ dat deze stuurkracht van het ik waarborgt. Zuiver denken bestaat hierin dat het oordeel wordt opgeschort. Het kunnen verinnerlijken van een waarneming is cruciaal om het gebaar van de kleur als fenomeen te leren kennen. Waarnemen en verinnerlijken zijn geen twee van elkaar gescheiden oefengebieden, maar zijn integendeel dynamisch met elkaar verweven. Om die reden is het belangrijk om ze van elkaar – juist in hun onderlinge verwevenheid – te kunnen onderscheiden. En ook dit kan enkel wanneer ieder oordeel, speculatief en associatief, met kracht teruggehouden wordt. Bij de stappen die tot verinnerlijking voeren, speelt het actief ontwerpen van beelden een grote rol. Ook bij het waarnemen van kleuren is er een inhoud. Deze waarnemingsinhoud in een beeld op de ziel laten inwerken is een onmisbare hulp bij de weg naar binnen. Het behoort tot een van de verrassende ontdekkingen in dit boek dat er sprake kan zijn van meer dan één soort beelden. Zintuigbeelden als een hogere vorm van symbolische beelden, bijvoorbeeld, zijn die beelden die je kan doen ontstaan wanneer je een fenomeen vanuit meer dan één enkel zintuig benadert. Het is een bijzonder boeiende uitdaging om de werking van één enkele kleur te ‘vertalen’ in de twaalf mogelijkheden van het zintuigorganisme. Dat je een kleur kan ‘beluisteren’ en ‘horen’ is een dimensie die sinds het begin van de vorige eeuw door tal van kunstenaars werd geïntroduceerd. Ook tasten, proeven, ruiken kunnen mits oefenen zintuigbeelden opleveren. Moeilijker wordt het bij de ‘hogere’ zintuigen. Maar juist het scheppend opbouwen van een zintuigbeeld, dat ook nog kunstzinnig kan worden verwerkt, maakt de weg tot verinnerlijking vrij. Deze overeenkomst tussen het verschijnen en de werking van de kleur buiten ons en het zich voordoen in ons, openbaart zich reeds in de polariteit van licht en duister. Licht is een zinnebeeld voor het heldere dagbewustzijn terwijl duister het ondoordringbare van de wil vertegenwoordigt. Hier komen we op de intieme verwantschap tussen de wereld van de kleuren en de menselijke bewustzijnsorganisatie, met haar actieve en passieve zijde. Staat bijvoorbeeld rood voor de warme activiteit van de wil dan is daar tegenover het violet beeld voor meditatieve overgave en omvorming. Vandaar uit wordt het mogelijk de stap te zetten naar het beleven van de morele stemming die in iedere kleur werkzaam is. Het gaat om de moreel-inspiratieve kwaliteiten die in ieder natuurverschijnsel kunnen waargenomen worden, wanneer de ziel tot «in haar diepste innerlijk helemaal kleur is geworden». ( Steiner, cit. blz.76) Ook hier zijn de krachten van de ik-gestuurde aandacht vereist. Voorstelling is al datgene waar je nog buiten blijft staan en tegenaan kijkt. Kleur is dan een ‘plaatje’, geen ‘beeld’. Het beeld echter laat toe dat je het in jezelf kan opnemen en er één mee worden, waardoor het zich in jou kan openbaren. Dit beeld drukt zich uit in een stemming, waar nog geen woorden voor zijn maar die wel in de herhaling van het proces van tastende verinnerlijking, kunnen ontstaan. De regenboog, het ‘verschijnende’ bij uitstek, dat wat zich manifesteert tussen ontstaan en vergaan, biedt de mogelijkheid om de weg naar het verinnerlijken van de kleur nog verder meditatief te verdiepen.   Wat hier op volgt is het ‘hart’ van het boek: ‘De werkzaamheid van Christus in de kleuren’. Aan het begin van de weg ging het om een objectief kunnen waarnemen van het fenomeen kleur en het zuiver kunnen inleven in de respons die deze waarneming tot een innerlijk beleven maakt. Op die manier kwamen we tot het kunnen meebewegen met de gebaren die iedere kleur vanuit haar wezen maakt. Het verinnerlijken liet een steeds verder verdiepen toe in het beleven van deze gebaren als inspiratief-morele kwaliteiten. De kleuren in hun werking stemmen de ziel. Nu pas werd de regenboogmeditatie toegankelijk, die op haar beurt een brug kan slaan naar de ontmoeting met de kleur op wezenlijk niveau. Vanuit de wezensgebaren en –werking bereikten we langzamerhand de staat om nu de kleur als wezen te naderen. In dit gebied kan de vraag ontstaan hoe Christus met wezen en werking van de kleuren verbonden is. En hoe de werkzaamheid van Christus in de werking van de kleuren niet alleen kan worden herkend, maar ook ervaren. Een vraag die het hart brandend houdt! En die niet naar een antwoord zoekt, maar veeleer een weg wil gaan naar het steeds dieper leven ervan. Een levensweg.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.